ECLI:NL:PHR:2002:AD8510
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over fraus legis bij dividendbelasting en holdingconstructies
In deze zaak gaat het om de fiscale behandeling van een aandelenverkoop binnen een holdingconstructie waarbij de Staatssecretaris van Financiën naheffingsaanslagen dividendbelasting oplegde. De belanghebbende had aandelen in een Nederlandse vennootschap overgedragen aan een Antilliaanse vennootschap, waarna dividenduitkeringen plaatsvonden zonder inhouding van dividendbelasting. De inspecteur stelde dat sprake was van een samenstel van rechtshandelingen in fraudem legis, waarbij de aandelenverkoop genegeerd moest worden en de dividenduitkeringen als rechtstreeks genoten door de aandeelhouder moesten worden belast.
Het Hof vernietigde de naheffingsaanslagen omdat het oordeelde dat de heffing moest aanknopen bij de verkoop van de aandelen, niet bij de dividenduitkeringen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat bij toepassing van fraus legis de verkoop van aandelen als de cruciale handeling moet worden gezien. Eliminatie van deze verkoop leidt tot problemen met verdragsrechtelijke kwalificaties, vooral in relatie tot het belastingverdrag met België.
De Hoge Raad behandelt uitgebreid de juridische vraagstukken rond substitutie en eliminatie van rechtshandelingen, de toepassing van fraus legis bij dividendbelasting versus inkomstenbelasting, en de verdragsrechtelijke gevolgen. Het arrest benadrukt dat de nationale herkwalificatie van vermogensbestanddelen niet zonder meer doorwerkt naar de verdragskwalificatie en dat Nederland niet het heffingsrecht heeft over fictieve dividenduitkeringen aan een in België wonende aandeelhouder.
Tot slot concludeert de Hoge Raad dat het beroep in cassatie ongegrond moet worden verklaard, waarmee het oordeel van het Hof wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat de dividendbelastingheffing moet aanknopen bij de aandelenverkoop.