ECLI:NL:PHR:2002:AE0651
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling getuigenplicht van een rechter in appelprocedure over comparitie in eerste aanleg
In deze zaak staat centraal de vraag of een rechter die in eerste aanleg een comparitie heeft geleid, in een appelprocedure als getuige kan worden gehoord over wat tijdens die comparitie is voorgevallen. De comparitie vond plaats in een arbeidsrechtelijke procedure tussen een werknemer en diens werkgever, zonder dat een proces-verbaal werd opgemaakt. De appelrechter gaf een bewijsopdracht en wilde de comparitierechter als getuige horen.
De comparitierechter (eiser) verzette zich tegen deze getuigenverplichting met argumenten over de goede procesorde, rechterlijke onpartijdigheid en het ontbreken van herinnering aan de comparitie. De rechter-commissaris wees dit verweer af, en de Hoge Raad bevestigt deze beslissing. De Hoge Raad benadrukt dat de wet een getuigenplicht oplegt, ook aan rechters, tenzij uitzonderlijke belangen zwaarder wegen.
De Hoge Raad erkent dat het horen van een rechter als getuige mogelijk gevolgen kan hebben voor diens onpartijdigheid, maar acht dit geen voldoende reden om de getuigenplicht op te heffen. Ook het argument dat de rechter zich niet meer herinnert, leidt niet tot vrijstelling, omdat dit anders tot misbruik zou kunnen leiden. De Hoge Raad concludeert dat het belang van waarheidsvinding zwaarder weegt dan de bezwaren van de comparitierechter en wijst het cassatieberoep af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de rechter moet als getuige verschijnen en verklaren.