ECLI:NL:HR:2001:AB0804
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- R. Herrmann
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid directeur voor wanprestatie en bewijslastverdeling in arbeidsovereenkomst
De zaak betreft een geschil tussen SUSH, een stichting in liquidatie, en haar voormalig directeur [eiser], die aansprakelijk werd gesteld wegens wanprestatie in de vorm van niet-verantwoorde bankopnamen tijdens zijn dienstverband van 1988 tot 1990.
De Rechtbank Utrecht had [eiser] veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag, omdat hij niet kon aantonen dat de opgenomen gelden ten goede van SUSH waren gekomen. De rechtbank achtte hem ernstig verwijtbaar en legde de bewijslast deels op hem. [Eiser] kwam in verzet en stelde onder meer dat de bewijslast onjuist was verdeeld en dat hij niet aansprakelijk kon worden gehouden zonder opzet of bewuste roekeloosheid.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank een onjuiste verdeling van de bewijslast had gemaakt en dat een werknemer slechts aansprakelijk is bij opzet of bewuste roekeloosheid. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het bewijsaanbod van [eiser] niet mocht worden gepasseerd op prognose. Daarom vernietigde de Hoge Raad het tussenvonnis van 1997 en het eindvonnis van 1999 en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest vernietigt eerdere vonnissen en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling en beslissing.