ECLI:NL:PHR:2002:AE1539
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schadevergoeding na rechtmatige huiszoeking bij niet-verdachte derde
In deze zaak vorderen eiseressen schadevergoeding van de Staat wegens een huiszoeking in hun kantoorruimte, uitgevoerd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen een derde. De huiszoeking vond plaats op basis van een vermoeden van een strafbaar feit, maar eiseressen zelf werden niet strafrechtelijk vervolgd. De rechtbank wees de vordering af en het hof bekrachtigde dit oordeel.
Eiseressen stelden dat de verdenking ten onrechte tegen hen was gericht en dat de huiszoeking onnodig en schadelijk was uitgevoerd, met name door het stilleggen van werkzaamheden en het bevriezen van de situatie ter plaatse. De Hoge Raad oordeelt dat een huiszoeking ter inbeslagneming ook kan plaatsvinden bij derden zonder dat deze zelf verdachte zijn, en dat zij enige overlast moeten dulden.
De Hoge Raad bevestigt dat schadevergoeding alleen kan worden toegekend voor schade die niet inherent is aan de rechtmatige toepassing van het dwangmiddel, maar die onnodig of onevenredig is toegebracht. In casu was de duur en wijze van de huiszoeking proportioneel en noodzakelijk om het bewijs veilig te stellen. Het bewijsaanbod van eiseressen werd verworpen omdat de gestelde stagnatieschade inherent was aan de huiszoeking. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de huiszoeking was rechtmatig en de schade inherent aan het dwangmiddel komt niet voor vergoeding in aanmerking.