ECLI:NL:PHR:2002:AE3264
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ambtshalve opgelegde nihilaanslag en verliesvaststellingsbeschikking vennootschapsbelasting
In deze zaak staat centraal de vraag of een ambtshalve opgelegde nihilaanslag en de daarbij behorende verliesvaststellingsbeschikking rechtsgeldig zijn indien geen aangifte is gedaan. Belanghebbende, een vennootschap, had geen aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 1995/1996 gedaan, waarna de inspecteur ambtshalve een nihil-aanslag oplegde. Belanghebbende betwistte de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking en vorderde onder meer renteaftrek over voorgaande jaren.
De Hoge Raad stelt vast dat het ambtshalve opleggen van een nihilaanslag zonder aangifte in strijd is met art. 25a Wet Vpb. 1969 en derhalve vernietigbaar is. Omdat de verliesvaststellingsbeschikking gekoppeld is aan de aanslag, leidt vernietiging van de aanslag ook tot vernietiging van de verliesvaststellingsbeschikking. De wetgever heeft immers beoogd dat de verliesvaststellingsbeschikking alleen wordt gegeven na het doen van aangifte.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het niet in rekening brengen van rente over voorgaande jaren niet in aftrek kan worden gebracht in een later boekjaar, tenzij sprake is van een fout in de zin van de foutenleer. Hier was geen sprake van een dergelijke fout, aangezien het afzien van rente op onzakelijke gronden was gebaseerd en geen reële betalingsverplichting bestond. Het cassatieberoep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de ambtshalve opgelegde nihilaanslag zonder aangifte is vernietigbaar en de renteaftrek wordt afgewezen.