ECLI:NL:PHR:2003:AF4616
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kwalificatie van bedrijfsruimte en toepasselijkheid huurrecht
In deze zaak stond centraal of het gehuurde terrein met jachthaven, loodsen, kantoor en overige voorzieningen kwalificeert als bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW, waardoor de bijzondere huurregels van toepassing zouden zijn, of dat de huurovereenkomst onder de Huurwet valt.
De feiten betreffen een huurovereenkomst tussen het echtpaar [A] en 't Sweiland, waarbij diverse bedrijfsactiviteiten worden verricht, waaronder jachtverhuur, winterstalling, verkoop van brandstof, bemiddeling bij verkoop van schepen en reparaties. De rechtbank had vastgesteld dat sommige activiteiten onder de categorieën kleinhandels- en ambachtsbedrijf vallen, maar andere niet. De vraag was welke activiteiten overheersen.
De Hoge Raad bevestigt dat de toets van plaatsgebondenheid alleen relevant is bij twijfel over de kwalificatie van het bedrijf. Hier was geen twijfel, en de rechtbank mocht de overheersing van activiteiten als maatstaf hanteren. Op basis van omzet, oppervlaktegebruik en contractuele bestemming concludeerde de rechtbank dat de Huurwetactiviteiten overheersen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk of onjuist.
De Hoge Raad wijst tevens op de continuïteit van deze jurisprudentie onder de nieuwe wetgeving voor huur van bedrijfsruimte. De conclusie van de Advocaat-Generaal is om het cassatieberoep te verwerpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de huurovereenkomst onder de Huurwet valt omdat de overheersende activiteiten niet onder art. 7A:1624 BW vallen.