ECLI:NL:PHR:2005:AR8401
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid vervolging ondanks ne bis in idem-beginsel in zedenzaak
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin verdachte is veroordeeld voor meerdere ontuchtige handelingen met minderjarige slachtoffers. Verdachte was eerder onherroepelijk veroordeeld voor andere seksuele handelingen met hetzelfde slachtoffer. De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid aan wegens schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat de nieuwe vervolging betrekking zou hebben op hetzelfde feitencomplex.
De Hoge Raad stelt dat het ne bis in idem-beginsel alleen geldt indien sprake is van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr Pro, waarbij gekeken wordt naar gelijktijdigheid en wezenlijke samenhang van de gedragingen. In deze zaak betreft het nieuwe tenlastegelegde feiten andere fysieke handelingen dan de eerdere veroordeling, en is er geen sprake van feitelijke samenval of eenzelfde feitencomplex. Ook het feit dat de nieuwe feiten in dezelfde periode plaatsvonden, leidt niet automatisch tot schending van het ne bis in idem-beginsel.
Daarnaast is overwogen dat het Openbaar Ministerie niet altijd alle feiten in één dossier kan verzamelen, waardoor afzonderlijke vervolgingen mogelijk zijn voor later ontdekte feiten. De bewijsvoering bestond uit verklaringen van slachtoffers en medeverdachte, die het hof voldoende achtte om tot bewezenverklaring te komen. De verdediging had voldoende gelegenheid om de betrouwbaarheid van de verklaringen te toetsen.
Ten slotte is het cassatieberoep gegrond verklaard op het punt van overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, wat leidt tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de strafoplegging betreft, maar verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep behalve voor de strafoplegging die wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.