Conclusie
1.Inleiding en feiten
onderdeel 1), de toewijzing van de geclausuleerde verklaring voor recht en de kostenveroordeling in hoger beroep (
onderdeel 2), het niet beoordelen van een gestelde vordering wegens het handelen van tussenpersoon Spaarshop als orderremisier (
onderdeel 3), advisering door Spaarshop als cliëntenremisier (
onderdeel 4) en het hanteren van onjuiste afrekenkoersen (
onderdeel 5).
K./Dexia).
Onderdeel 2betreft een punt dat de Hoge Raad nog niet in een waiver-zaak heeft beoordeeld. De
onderdelen 1, 4 en 5stellen kwesties aan de orde die eerder door de Hoge Raad zijn beoordeeld. De onderdelen 1, 2, 4 en 5 slagen naar mijn mening niet.
onderdeel 1) en de uitleg van de door haar gevorderde verklaring voor recht (
onderdeel 2). Het incidentele middel slaagt naar mijn mening niet.
€3.785,36. [eiser] heeft na beëindiging van de overeenkomst de aandelen die (de rechtsvoorgangster van) Dexia had aangekocht onder de overeenkomst per 11 januari 2006 overgenomen.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
K./Dexia). Voor het overige behoeft het onderdeel geen behandeling.
mogelijkis dat hij nog een vordering heeft of blijkt te hebben (procesinleiding
nr. 6). Het onderdeel bevat, mede blijkens de daarop in de procesinleiding gegeven toelichting, mijns inziens vier klachten.
eerste plaatsklaagt het onderdeel dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, van [eiser] verlangt dat hij de stelling van Dexia zodanig betwist dat daaruit de onjuistheid ervan kan worden afgeleid, dat wil zeggen dat [eiser] moet aantonen dat hij nog wel een vordering op Dexia heeft en, zo ja, welke vordering dit in concreto is. Dit oordeel is onjuist omdat [eiser] , als verweerder, enkel de stelling van Dexia hoeft te
ontzenuwendat het redelijkerwijs
niet mogelijkis dat [eiser] nog een vordering op Dexia heeft of blijkt te hebben. Aan die verplichting heeft [eiser] voldaan. Het hof heeft het stel- en bewijsrisico in strijd met art. 24 en Pro/of 149 Rv verlegd naar [eiser] (procesinleiding
nr.7).
tweede plaatsdat het hof uit het oog verliest dat de stelling die [eiser] te ontzenuwen had, inhield dat hij redelijkerwijs niet mogelijk een vordering op Dexia heeft (procesinleiding
nr. 7, slot).
derde plaats, ook onjuist althans onbegrijpelijk, omdat ze geen dan wel te weinig rekening ermee houdt dat de rechtspraak over schadevergoedingsaanspraken in effectenleasezaken in volle ontwikkeling is (procesinleiding
nr. 8) en de vordering terughoudend moet worden beoordeeld (procesinleiding
nr. 9).
vierde plaatshad het hof [eiser] moeten toelaten tot het bewijs dat hij had aangeboden.
nr. 5), komen overeen met de overwegingen die werden bestreden door onderdeel 2 van het cassatiemiddel in HR 12 april 2019 (
V./Dexia) en door onderdeel 1 van het cassatiemiddel in HR 24 april 2020 (
K./Dexia). De
eersteklacht van onderdeel 1 komt overeen met de in die zaken behandelde klachten. [12] Tot die klachten behoorde ook het thans in de
derdeklacht aan het orde gestelde punt van de rechtsontwikkeling in effectenleasezaken en de terughoudende beoordeling van de verklaring voor recht zoals door Dexia wordt gevorderd. HR 12 april 2019, (
V./Dexia) heeft deze klachten verworpen:
K./Dexia) heeft de Hoge Raad onderdeel 1 van het middel verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro (rov. 3.7).Er is mijns inziens geen reden om aan te nemen dat thans anders moet worden geoordeeld. De
eersteen de
derdeklacht falen.
tweedeklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers niet overwogen dat [eiser] de stelling van Dexia dient te ontzenuwen. Het hof heeft overwogen dat [eiser] de stellingen van Dexia zodanig gemotiveerd dient te betwisten dat daaruit de onjuistheid van de stellingen van Dexia kan worden afgeleid.
vierdeklacht is verder niet uitgewerkt (zij wijst bijvoorbeeld niet naar een bewijsaanbod van [eiser] in feitelijke instanties) en dient daarom te falen.
onderdeel 4de positie van een cliëntenremisier die zonder vergunning heeft geadviseerd. Dit onderdeel is gericht tegen rov. 5.14 tot en met 5.16, waarin het hof een oordeel geeft over de vordering die [eiser] stelt te hebben op de grond dat Spaarshop hem vergunningloos heeft geadviseerd. Het hof heeft in rov. 5.10, in cassatie onbestreden, overwogen dat Dexia onvoldoende heeft betwist dat Spaarshop destijds een cliëntenremisier was, en dat gesteld noch gebleken is dat zij beschikte over een vergunning om (beleggings)adviezen te mogen geven.
B./Dexia) moet vast staan dat de cliëntenremisier de afnemer een (beleggings)advies heeft verstrekt. Adviseren omvat in dit geval meer dan een enkel aanprijzen van een product: het moet ten minste gaan om een ten behoeve van de afnemer gegeven advies waarin zijn persoonlijke financiële situatie is meegewogen (rov. 5.14), dat wil zeggen een op zijn persoon toegesneden advies (rov. 5.15).
eerste plaatsde inhoud van het begrip ‘advies’ in de rechtspraak over schadeverdeling in effectenleasezaken aan de orde.
nr. 17)
B./Dexia) en HR 12 oktober 2018 (
T./Dexia) blijkt dat de Hoge Raad niet te strenge eisen stelt aan het advies. Het gaat erom dat de cliëntenremisier betrokken is bij de effectentransactie met Dexia, bijvoorbeeld doordat hij het aandelenleaseproduct adviseert, aanprijst of “eerst algemene informatie geeft over specifieke effecten en vervolgens op basis van door de belegger verstrekte gegevens - die niet anders dan op zijn eigen situatie betrekking kan hebben - een voorselectie maakt - die wijst op afstemming op de belegger - waaruit de belegger dan zelf een product kan kiezen”. (procesinleiding
nrs. 20 en 18, slot)
B./Dexia) bedoelde adviessituatie. In deze situatie gaat het om het advies van een onafhankelijke beleggingsadviseur. [13] Advies betekent een op de specifieke situatie van de particuliere belegger toegesneden advies. [14] In deze adviessituatie doet voor wat betreft de schadeverdeling de kwaliteit van het advies er niet toe. [15] Hetzelfde geldt voor een eventueel eigen inzicht van de particuliere belegger in het aan te schaffen product. [16] Voor wat betreft de schadeverdeling dient het advies van adviseurs van Dexia om effectenleaseproducten van Dexia af te nemen te worden onderscheiden van het op de specifieke situatie van de belegger toegesneden advies door een onafhankelijke beleggingsadviseur zoals bedoeld in HR 2 september 2016 (
B./Dexia).
K./Dexia), rov. 3.7, verwierp een vergelijkbare klacht in onderdeel 3 van het cassatiemiddel in die zaak met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. Die klacht hield onder meer in dat irrelevant is of het advies op de cliënt is toegesneden dan wel een algemenere strekking heeft, dat daarom onjuist is dat het hof vereist dat sprake is van “persoonlijke advisering” en “persoonlijke benadering en advisering” en dat het hof daarom ten onrechte vereist dat uit de stellingen van de afnemer moet blijken dat de tussenpersoon een op zijn specifieke situatie toegesneden advies heeft verstrekt. [18]
nr. 21).
tweede plaatsde stelplicht van de afnemer in procedures als de onderhavige aan de orde.
V./Dexia), rov. 4.2.2, volgt dat [eiser] ter betwisting van de vordering van Dexia voldoende onderbouwd dient te stellen dat hij nog een vordering op Dexia heeft omdat hij geadviseerd is door Spaarshop, die daarvoor geen vergunning had, en dat Dexia ervan op de hoogte was of behoorde te zijn dat Spaarshop als financieel adviseur is opgetreden zoals bedoeld in HR 2 september 2016 (
B./Dexia) en HR 12 oktober 2018 (
T./Dexia). Gezien de betekenis van het begrip ‘advies’ in deze context, is het oordeel van het hof in rov. 5.15 naar mijn mening niet onbegrijpelijk te noemen. In dit verband kon het hof betekenis toekennen aan de omstandigheid dat [eiser] geen inzicht heeft gegeven in de inhoud van het gestelde advies.
onderdeel 4.2stelt de stelplicht aan de orde, evenals de bewijslast in gevallen als de onderhavige.
eerste klachtgeeft rov. 5.14 blijk van een onjuiste rechtsopvatting door de beslissing dat het aan [eiser] is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat Spaarshop hem heeft geadviseerd. Met de processuele posities van partijen, want met art. 24, 149 en/of 150 Rv, is onverenigbaar het oordeel van het hof in rov. 5.14 en 5.15 dat moet komen
vast te staanrespectievelijk dat uit het verweer van [eiser]
moet blijkendat Spaarshop hem (beleggings)advies heeft gegeven, dat [eiser] zijn verweer
voldoende moet onderbouwenen de advisering
moet bewijzen. Stelplicht en bewijslast rusten immers op Dexia, die moet aantonen dat Spaarshop
nietheeft geadviseerd. Aan het verweer kan niet de eis worden gesteld dat daarmee komt vast te staan dat is geadviseerd, hoe is geadviseerd en wat de inhoud daarvan is geweest. [eiser] hoeft slechts de aan de vordering ten grondslag liggende stellingen te ontzenuwen. Hij hoeft slechts aannemelijk te maken dat de stellingen van Dexia niet zonder meer en in alle concrete omstandigheden van het geval juist zijn. Het oordeel van het hof dat [eiser] op dit punt geen vordering op Dexia heeft, is onbegrijpelijk gelet op de stellingen van [eiser] op dit punt (procesinleiding
nr. 22).
V./Dexia) rusten “de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de stelling die aan een gevorderde verklaring voor recht ten grondslag ligt, (…) op degene die de verklaring vordert”. Blijkens rov. 4.2.1 is “de stelling die aan een gevorderde verklaring voor recht ten grondslag ligt” dat Dexia “aan al haar verplichtingen uit de effectenleaseovereenkomst jegens [de afnemer] heeft voldaan.” [21] Uit het arrest volgt naar mijn mening dat dit in beginsel inhoudt dat Dexia dient te stellen waarom zij heeft voldaan aan haar verplichtingen jegens de afnemer die volgen uit de effectenleaseovereenkomst en, kort gezegd, de vaste rechtspraak over haar gehoudenheid tot schadevergoeding ter zake van dergelijke overeenkomsten op basis van het hofmodel. Deze stelling van Dexia impliceert de stelling dat zich geen andere rechtsgrond voordoet die leidt tot een verplichting om een hogere vergoeding dan volgt uit het hofmodel, te voldoen. Of Dexia voldoende heeft gesteld, dient mede te worden beoordeeld “aan de hand van de betwistingen van die stelling door [de afnemer], die daaruit bestaan dat [de afnemer] heeft aangevoerd op welke punten hij meent nog een vordering op Dexia te hebben.” Deze betwistingen kunnen zien op, kort gezegd, de verplichtingen van Dexia volgens het hofmodel en op eventuele andere verplichtingen.
tweede klachtvan onderdeel 4.2, zoals toegelicht in de procesinleiding
nr. 23, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom [eiser] meer of anders heeft moeten stellen en motiveren dan hij heeft gedaan.
eerste klachtheeft het hof, nu Dexia moet stellen en bewijzen (zie onderdeel 1) dat [eiser] niet
mogelijknog een vordering op haar heeft, ten onrechte, althans onbegrijpelijk, te strenge eisen gesteld aan het verweer van [eiser] door te verlangen dat hij zijn verweer nader concretiseerde en cijfermatig onderbouwde. Volgens de
tweede klachtheeft het hof miskend althans onvoldoende kenbaar meegewogen dat de vordering betrekking heeft op zogenaamde ‘strooischade’ en ten onrechte relevant gevonden dat het niet in de rede ligt dat het om substantiële bedragen gaat.
eersteklacht voortbouwt op onderdeel 1, faalt het op de gronden waarop onderdeel 1 faalt. Voor zover de klacht niet voortbouwt op onderdeel 1, faalt zij om de volgende redenen. Het oordeel van het hof dat Verbeek c.s. niet toelichten welke vordering voor hen uit deze kwestie zou voortvloeien en dat zij deze onvoldoende hebben gesubstantieerd, is niet onjuist of onbegrijpelijk te noemen. Anders dan het onderdeel veronderstelt (procesinleiding
nr. 24) heeft het hof niet van [eiser] verlangd dat hij de
omvangvan zijn vordering substantieert. Het hof heeft van [eiser] gevergd dat hij de stellingen van Dexia gemotiveerd betwist, zodanig dat daaruit de onjuistheid van de stellingen van Dexia kan worden afgeleid. Het oordeel van het hof komt erop neer dat de stellingen van [eiser] in dit opzicht onvoldoende concreet waren. In zoverre mist het subonderdeel dus feitelijke grondslag.
tweede klachtgeldt het volgende. De door de klacht bestreden overweging komt overeen met de overweging die werden bestreden in HR 12 april 2019 (
V./Dexia). De klacht komt in de kern overeen met de in die zaak behandelde klachten. [25] De Hoge Raad heeft een dergelijke klacht verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. Er is geen reden om aan te nemen dat thans anders moet worden geoordeeld. Het middel voert verder niet aan dat het aspect van strooischade in feitelijke instanties is aangevoerd, zodat het hof niet kan worden verweten daarop niet te zijn ingegaan. De klacht faalt derhalve.
eerste plaatsdat het hof in strijd met art. 23 en Pro 24 Rv meer of anders heeft toegewezen dan door Dexia was gevorderd door de verklaring voor recht in die zin toe te wijzen dat Dexia aan al haar verplichtingen heeft voldaan behoudens haar verplichting tot vergoeding van € 154,73. In elk geval is de beslissing van het hof, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk, omdat mede gelet op het ontbreken van enig partijdebat ter zake, een dictum als door het hof geformuleerd niet (zonder meer) kon worden geformuleerd, althans en in elk geval omdat het hof Dexia dan ook tot betaling van de wettelijke rente over € 154,73 had moeten veroordelen (
procesinleiding nr. 12, slot).
tweede klachtvan
onderdeel 2is, samengevat, onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof [eiser] heeft aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en hem heeft veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Dexia heeft immers ten onrechte gesteld dat zij niets aan [eiser] verschuldigd is, omdat in die vordering geen voorbehoud was gemaakt ten aanzien van enig nog te betalen bedrag aan [eiser] , en [eiser] heeft terecht het verweer gevoerd dat de vordering van Dexia niet toewijsbaar is (
procesinleiding nr. 13).
nr. 28) gevorderde veroordeling van Dexia tot terugbetaling van de door [eiser] betaalde proceskosten in hoger beroep worden afgewezen. In cassatie is alleen plaats voor een veroordeling tot terugbetaling van hetgeen waartoe een partij in de bestreden uitspraak is veroordeeld, indien de Hoge Raad die uitspraak vernietigt en, op de voet van art. 420 Rv Pro, zelf het geding afdoet door de in die uitspraak toegewezen vordering alsnog af te wijzen. [35]
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 5.4 en
onderdeel 2is gericht tegen rov. 5.6.
De T./Dexia), dus ter zake van de onderzoeks- en waarschuwingsplicht van Dexia. Deze uitleg van gedingstukken is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. [36] Zij is niet onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van Dexia. [37] Voor zover het onderdeel hierover klaagt, [38] faalt het.