ECLI:NL:PHR:2005:AU4843
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor rijden onder invloed van cocaïne, MBDB en diazepam zonder overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een verdachte die op 2 juni 1997 te Rotterdam een auto bestuurde onder invloed van cocaïne, MBDB en diazepam. Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat was vanwege de invloed van deze stoffen. Het bewijs bestond uit waarnemingen van verbalisanten, bloedonderzoek en de eigen verklaring van verdachte.
De verdachte was bij verstek veroordeeld omdat hij geen bekende woon- of verblijfplaats had en naar het buitenland was vertrokken. Het openbaar ministerie heeft de verdachte in het opsporingsregister geplaatst en meerdere pogingen gedaan om de verstekmededeling te betekenen. De Hoge Raad oordeelt dat ondanks de lange tijd tussen het ten laste gelegde feit en de behandeling in hoger beroep, geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, omdat de vertraging niet aan het OM kan worden toegerekend.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid en bevestigde dat voor een veroordeling op grond van rijden onder invloed niet noodzakelijk is dat feitelijk gevaarlijk rijgedrag is vastgesteld. Ook het middel dat het OM niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden wegens termijnoverschrijding faalt. Het hof heeft de zaak terecht inhoudelijk behandeld en de straf opgelegd.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor rijden onder invloed van cocaïne, MBDB en diazepam zonder dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.