ECLI:NL:PHR:2006:AQ7098
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verenigbaarheid woonplaatsfictie Successiewet met EG-recht
De zaak betreft de toepassing van de woonplaatsfictie in artikel 3, lid 1, van de Successiewet 1956, waarbij Nederlanders die binnen tien jaar na emigratie overlijden of schenken, worden belast alsof zij nog in Nederland wonen. De erflater, V.B. Veenhof, was in 1997 overleden terwijl hij sinds 1993 in België woonde. Zijn erfgenamen werden geconfronteerd met Nederlandse successierechten op grond van deze fictie, ondanks dat het vermogen hoofdzakelijk in België was gelegen.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of deze woonplaatsfictie in strijd is met het EG-recht, met name het vrije kapitaalverkeer en het discriminatieverbod. Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde eerder dat de fictie een verkapte beperking van het vrije kapitaalverkeer vormt en wees de aanslagen af. De Hoge Raad heeft deze kwestie in cassatie behandeld.
De Hoge Raad bevestigt dat de woonplaatsfictie een nationaliteitsheffing betreft en geen discriminatie oplevert die in strijd is met het EG-recht. De bijzondere band tussen Nederland en zijn onderdanen rechtvaardigt het onderscheid. Bovendien is het een legitieme anti-ontgaansmaatregel gericht op het voorkomen van belastingontwijking. De asymmetrische werking van het verrekeningsstelsel leidt niet tot een onrechtmatige beperking van het kapitaalverkeer.
Daarnaast bespreekt de Hoge Raad uitgebreid jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin wordt bevestigd dat belastingheffing binnen het eigendomsgrondrecht valt en discriminatieverboden in belastingzaken van toepassing zijn, maar dat nationale maatregelen gerechtvaardigd kunnen zijn indien zij objectief en proportioneel zijn.
Ten slotte behandelt de Hoge Raad de proceskosten en stelt dat belanghebbenden geen aanspraak kunnen maken op volledige vergoeding van proceskosten in cassatie, tenzij expliciet verzocht en onder voorwaarden van het effectiviteitsbeginsel van het EG-recht. De Hoge Raad wijst verzoeken om hogere kostenvergoeding af en bevestigt de toepassing van forfaitaire regelingen in bestuursrechtelijke belastingprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de woonplaatsfictie in de Successiewet niet in strijd is met het EG-recht en wijst het cassatieberoep af.