ECLI:NL:PHR:2006:AT3045
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over aansprakelijkheid vervoerder bij onveraccijnsde stookolie zonder bescheiden
De zaak betreft X B.V., een vervoerder van zware stookolie, die bij een controle op 8 mei 2000 een partij stookolie aan boord van een tanklichter had zonder de vereiste fiscale bescheiden. De Inspecteur legde naheffingsaanslagen op wegens het niet aantonen van de herkomst en het niet in de heffing betrekken van de accijnsgoederen. X B.V. maakte bezwaar en ging in beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens werd cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil is of de vervoerder als belastingplichtige kan worden aangesproken op grond van artikel 2b en 2f van de Wet op de accijns, en in hoeverre hij de herkomst van de goederen moet aantonen. Het Hof oordeelde dat de vervoerder aansprakelijk is omdat hij de herkomst niet kon aantonen en dat de stookolie niet in de heffing was betrokken.
De Advocaat-Generaal betoogt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting heeft aangenomen door te stellen dat de vervoerder moet aantonen dat de stookolie onder dekking van de juiste documenten is uitgeslagen. Volgens de A-G moet de vervoerder wel de identiteit van zijn opdrachtgever kunnen aangeven, waarna de Inspecteur kan onderzoeken of de accijns correct is voldaan. De zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar de vraag of de stookolie daadwerkelijk niet in de heffing is betrokken.
De conclusie benadrukt dat de wettelijke regeling onduidelijk is over de verplichtingen van vervoerders van bunkerolie en dat de bewijslastverdeling zorgvuldig moet worden toegepast. De zaak betreft belangrijke vragen over de toepassing van artikel 2f van de Wet op de accijns en de administratieve verplichtingen bij vervoer van accijnsgoederen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek.