ECLI:NL:PHR:2006:AU5703
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardebepaling bij onteigening en bodemverontreiniging na peildatum
In deze onteigeningszaak stond centraal of bij de waardebepaling van een onroerend goed rekening mag worden gehouden met bodemverontreiniging die pas na de peildatum van de schadeloosstelling bekend werd. De Staat had een perceel laten onteigenen voor recreatieontwikkeling en bood een schadeloosstelling aan, zonder rekening te houden met bodemverontreiniging die later werd vastgesteld.
De rechtbank had geoordeeld dat alleen feiten en omstandigheden bekend op de peildatum, de dag van inschrijving van het onteigeningsvonnis, relevant zijn voor de schadeloosstelling. Omdat de bodemverontreiniging pas na die datum bekend werd, werd deze buiten beschouwing gelaten. De Staat stelde in cassatie dat bij de fictieve koop in het vrije verkeer redelijk handelende partijen een bodemonderzoek zouden hebben verricht en dat de uitkomsten daarvan van invloed zouden zijn op de koopprijs.
De Hoge Raad bevestigde dat de peildatum maatgevend is, maar verduidelijkte dat de rechter bij de waardebepaling ook rekening moet houden met wat redelijk handelende partijen op die datum zouden hebben verwacht en gedaan, waaronder het verrichten van een bodemonderzoek. Daarbij mag de rechter ook latere rapporten betrekken om in te schatten wat een dergelijk onderzoek vooraf zou hebben opgeleverd. Dit betekent dat ook bodemverontreiniging die pas na de peildatum bekend werd, relevant kan zijn voor de schadeloosstelling.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor hernieuwde beoordeling, waarbij deze inzichten in acht moeten worden genomen.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van de juiste maatstaven voor waardebepaling bij bodemverontreiniging.