ECLI:NL:HR:2006:AU5703
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- W.D.H. Asser
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Invloed van niet ontdekte bodemverontreiniging op schadeloosstelling bij vervroegde onteigening
De zaak betreft een geschil over de schadeloosstelling bij vervroegde onteigening van een perceel grond in de gemeenten Schiedam, Rotterdam en Delft. De Staat vorderde vervroegde onteigening en stelde een schadeloosstelling vast op basis van de waarde van het onteigende perceel. De rechtbank stelde de schadeloosstelling vast op €66.313, waarbij zij de door deskundigen vastgestelde waarde van het perceel volgde en geen rekening hield met bodemverontreiniging die na de peildatum werd ontdekt.
De Staat stelde in cassatie dat bij de waardebepaling rekening moet worden gehouden met bodemverontreiniging die op de peildatum al aanwezig was, ook al was deze toen nog niet ontdekt. Volgens de Staat zou een redelijk handelende koper en verkoper deze verontreiniging in de koopprijs hebben verdisconteerd. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank dit standpunt ten onrechte buiten beschouwing had gelaten en dat de schadeloosstelling moet worden bepaald aan de hand van de prijs die redelijk handelende partijen, bekend met de bodemverontreiniging, zouden overeenkomen.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de verweerder in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling waarbij bodemverontreiniging die op de peildatum aanwezig was, moet worden meegenomen in de waardebepaling.