Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Landinvest/Staat(HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3107, NJ 2018/128 m.nt. E.W.J. de Groot). (onder 2.31)
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
vermogenvoor het verlies van het onteigende te compenseren. Dat sluit niet uit dat door de onteigende als gevolg van de onteigening óók
inkomensschadewordt geleden, die naast de werkelijke waarde aan hem behoort te worden vergoed. Dat de werkelijke waarde is getaxeerd met behulp van een methode die zich baseert op het met de zaak te genereren
inkomen(huur), neemt het principiële onderscheid tussen de vergoeding voor de werkelijke waarde en die voor inkomensschade niet weg.
nieteen bepaalde wijze van handelen volgt. Dan blijft in het midden welke keuzes de onteigende zal maken en wordt in zoverre de schadeloosstelling dus ook niet op maat gesneden. Mogelijk zal de onteigende de vergoeding van de werkelijke waarde in aandelen beleggen, mogelijk ook zal hij onroerend goed willen verwerven, ook mogelijk zal hij voor staatsobligaties kiezen, omdat hij met veel of juist met weinig realiteitszin een recessie voorziet, enzovoort, enzovoort. Het objectief te verwachten rendement is in al deze gevallen verschillend en dus ook verschillend ten opzichte van het rendement zoals dat met het onteigende zou zijn gegenereerd, maar toch ontleent de onteigende daaraan geen aanspraak op vergoeding van inkomensschade. Waarom niet? Het verschil in rendement is het gevolg van door de onteigende zelf te maken keuzes, terwijl hij in die keuzes volledig vrij is. Ik zeg:
volledigvrij. Niet alleen is de onteigende niet tot een bepaalde besteding van de te ontvangen schadeloosstelling verplicht (dat is de onteigende nooit), ook zijn persoonlijke omstandigheden dringen tot een bepaalde besteding niet (in tegenstelling tot het in de vorige alinea bedoelde geval dat uit de maatstaf van de onteigende als redelijk handelend persoon wél een bepaalde gedragslijn volgt).
ten vollein de werkelijke waarde van die zaak wordt verdisconteerd. In dat geval verhoogt de in verband met het bijzondere voordeel verhoogde vergoeding van de werkelijke waarde in gelijke mate de mogelijkheden van de onteigende om met behulp van die vergoeding vervangende inkomsten te genereren. Daarom resteert bij de onteigende in bedoeld geval geen inkomensschade wegens het verlies van met het onteigende gegenereerd inkomen.
periodiekeen bijzonder voordeel misloopt. Ook zulke schade behoort te worden vergoed. Dit is weer anders indien hetzelfde periodieke voordeel ook bij de redelijk handelende koper van de onroerende zaak zou opkomen én dat voordeel reeds
ten vollein de werkelijke waarde van die zaak wordt verdisconteerd. Welnu, dit laatste is mijns inziens de sleutel tot de beantwoording van de vraag zoals die hier voorligt. Een hogere dan marktconforme huurprijs die de onteigening weggedacht door de onteigende zou zijn gerealiseerd, kan als inkomensschade in aanmerking komen voor zover het hoge verdienvermogen van het onteigende niet reeds volledig in een hogere waarde van het onteigende tot uitdrukking komt.
per sehet geval behoort te zijn. Wat een redelijk handelend koper doet, is mede van marktomstandigheden afhankelijk. Die marktomstandigheden kunnen een redelijk handelend koper toelaten wat betreft de prijs voor het onteigende scherp aan de wind te zeilen en in verband met onzekerheid omtrent de bestendigheid van het hoge verdienvermogen van het onteigende, op de prijs af te dingen, dus door de kwade kansen te benadrukken. Neemt de rechter dit aan, dan lijkt mij zeer wel voorstelbaar dat hij bij de vaststelling van bijkomende schade vervolgens alsnog, behalve de kwade, ook de goede kansen in aanmerking behoort te nemen. Dit leidt dan tot vergoeding van inkomensschade, op de grond dat het hoge verdienvermogen van het onteigende niet reeds volledig in een hogere waarde van het onteigende tot uitdrukking komt. Wat van het voorgaande ook zij (direct hierna zal ik het nuanceren): het bij de beide inschattingen aan te leggen criterium is niet hetzelfde, zodat zij niet noodzakelijk op hetzelfde uitkomen.
Haviltex) door de rechter geheel of gedeeltelijk haar werking wordt ontzegd op de grond dat die werking tussen diezelfde partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW Pro). Terecht is zoiets in de rechtspraak nimmer aanvaard. Zouden we volledig consequent redeneren wél afdwingen, dan zou dat gemakkelijk verhinderen dat gepaste intuïtieve gevoelens een alternatieve uitweg naar het juiste resultaat vinden, hoezeer ook waar is dat in een volmaakte wereld één consequent te bewandelen weg naar dat resultaat zou volstaan.
in het algemeenbij onteigening van een verhuurd onroerend goed, naast de vergoeding van de werkelijke waarde daarvan, voor vergoeding van schade wegens het feit dat het goed niet meer kan worden verhuurd geen plaats is. Die formulering (die tot verwerping van de behandelde klacht strekte) impliceert dat het niet noodzakelijk stééds zo is, en het arrest van 2005 is een voorbeeld van een zaak waarin het inderdaad anders uitpakte.
niet ten vollegecompenseerd door het inkomen zoals dat met behulp van de te ontvangen schadeloosstelling kan worden gegenereerd. Daarvan uitgaande is niet onjuist dat de rechtbank een (beperkte) vergoeding voor gemiste huurinkomsten heeft toegekend. [16] Die vergoeding is begroot met de kapitalisatiefactor 1, waarmee rechtbank (in navolging tot deskundigen) tot uitdrukking brengt dat de duur waarvoor, de onteigening weggedacht, de hogere dan marktconforme huur nog stand had gehouden niet kan worden bepaald, ook niet bij benadering, maar dat moet worden aangenomen dat die duur kort zou zijn geweest (vergelijk wat ik hierna 4.5 e.v. naar aanleiding van het incidenteel beroep over het gebruik van kapitalisatiefactoren opmerk).
potentieelzich een dubbeltelling voordoet. Uit het vervolg van de overweging blijkt dat volgens de rechtbank zulke dubbeltelling zich in concreto niet voordoet, omdat ervan moet worden uitgegaan dat Bulers met de topslice nog niet afdoende voor het door haar gemiste voordeel van de boven-marktconforme huur wordt gecompenseerd.
doordatde deskundigen bij de waardering van het onteigende zijn uitgegaan van een marktconforme huur, zich het nadeel van gemiste huuropbrengsten voordoet.
overeenstemming tussen partijenover dat gebruik als schadebeperkende maatregel. [19] Hierin ligt besloten dat partijen ook kunnen overeenkomen dat een voortgezet gebruik niet als schadebeperkende maatregel in de begroting van de onteigeningsschade zal worden betrokken, in welk geval die begroting geheel volgens de hoofdregel plaatsvindt, dat wil zeggen naar de situatie op de peildatum. Uit de door de klacht aangevallen overweging blijkt dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat partijen dit inderdaad zo zijn overeengekomen. Daarvan uitgaande is de beslissing van de rechtbank mijns inziens alleszins juist.
Onder 3.2volgen nog twee motiveringsklachten onder verwijzing naar de stellingen van de Gemeente: (i) dat BG Retail en de verhuurder de onteigening weggedacht, hetzij de huurovereenkomst zouden hebben beëindigd hetzij een oplossing zouden hebben gevonden; en (ii) dat de huur van het belendende perceel niet marktconform is.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
(iii) het was bekend dat Bulers plannen had voor herontwikkeling en daartoe eerder ook concrete stappen had gezet, wat ook een beëindiging van de huurovereenkomst met zich mee zou brengen;
onder 1.1van het middel wordt jaarlijkse inkomensschade van de eigenaar (in dit geval tevens verhuurder) slechts dan volledig vergoed geacht, indien de gebruikelijke factor 10 is gehanteerd, wat door de rechtbank is miskend.
Onder 1.2is nog een rechtsklacht te lezen: volgens die klacht laat de jurisprudentie van uw Raad over kapitalisatiefactoren voor eigenaren zich niet anders interpreteren dan dat de mogelijkheid dat de boven-marktconforme huur op termijn zal worden omgezet in een markconforme huur in de toepassing van (de voor eigenaren gebruikelijke) factor 10 is verdisconteerd.
ex aequo et bono, die zich niet nader laat motiveren. De eerstbedoelde verklaring (13 jaar gemiddelde bedrijfsvoortzetting) roept met haar verwijzing naar een rentevoet van 4% bovendien gemakkelijk de vraag op of de kapitalisatiefactor in tijden met een duidelijk andere rentestand, zoals zich thans voordoet, niet behoort te worden aangepast. Daarmee zou echter veel van de eenvoud van de oplossing verloren gaan. Waar de factor een fictie is die verband houdt met het bestaan van tal van onzekerheden, [26] is een bijstelling ervan naar aanleiding van slechts één zekerheid (met betrekking tot de rente), mijns inziens een ongerijmdheid, nog daargelaten dat slechts de
huidigerentestand zeker is en niet de toekomstige (daaromtrent bestaan slechts onzekere verwachtingen). Graag laat ik op deze plaats Telders aan het woord: [27]
zeker of zeer waarschijnlijk onjuist, [30] dán behoort die toepassing achterwege te blijven. Dan immers is zij onmogelijk nog als een uitoefening van de kunst van wat goed en billijk is, te rechtvaardigen. In dit verband is ook de aard van de inkomensschade van belang: in verband met die aard is de grootte van sommige schade meer onzeker dan die van andere.
Gemeente Leiden/Motorhuisuit 1967
. [32] De zaak ziet op de mogelijk meest voorkomende vorm van inkomensschade in het onteigeningsrecht, namelijk financieringsschade in verband met een hogere investering door de eigenaar in een vervangend bedrijfsmiddel (namelijk hoger dan de vergoeding van de werkelijke waarde voor het met de onteigening aan hem ontnomen bedrijfsmiddel). Door de onteigenaar was wat betreft een pompinstallatie echter voortgezet gebruik van het onteigende aangeboden voor een periode van ongeveer anderhalf jaar, zodat de investering nog enige tijd door de eigenaar zou kunnen worden uitgesteld. Deskundigen namen in hun schadeberekening een periode van 13 jaar en een rentevoet van 4% tot uitgangspunt, [33] maar in verband met de periode van voortgezet gebruik van anderhalf jaar, verlaagden zij die factor tot 8,6. De rechtbank sloot zich hierbij aan. In de bespreking van het cassatiemiddel door uw Raad zijn de volgende elementen aan te wijzen: [34]
zeker of zeer waarschijnlijkmeent te kunnen aannemen, voor schaden van verschillende aard rekent met een bepaalde periode waarin die schaden zullen optreden en waarna zij zich niet meer zullen voordoen, met name wanneer is te voorzien dat het desbetreffende bedrijf op een zeker tijdstip zal eindigen. In een zodanig geval is juist de mening van deskundigen en de rechtbank dat het aanbod van de Gemeente tot voortgezet gebruik van de pompinstallatie leidt tot een vermindering van het aantal schadejaren.
zelfs bij benadering moeilijk valt te schatten, intuïtief of afgaande op hetgeen men dikwijls heeft zien gebeuren, een vermenigvuldigingsfactor bezigt, welke niet voor alle groepen van gevallen gelijk behoeft te zijn, maar in de in de meeste gevallen uitkomt op de factor 10. Die factor 10 komt bij een rentevoet van 4% overeen met een tijdsduur van omstreeks 13 jaren. Indien deskundigen en de rechtbank zó tot de door hen aangenomen tijdsduur van 13 jaren zijn gekomen, zou juist zijn geweest die tijdsduur niet te verminderen met de duur van het voortgezet gebruik en bestond er geen reden om af te wijken van factor 10.
Gemeente Leiden/Motorhuisbehoeft mijns inziens niet veel te worden gezegd. Element b bevestigt dat begroting van schade met toepassing van factor 10 gerechtvaardigd is in verband met het ontbreken van aanknopingspunten voor een meer beredeneerde schatting, in het bijzonder omdat de tijdsduur gedurende welke de schade optreedt ‘zelfs bij benadering moeilijk valt te schatten’. Element a bevestigt dat in plaats van toepassing van factor 10 een andere begroting van de schade gepast is op grond van omstandigheden die als ‘zeker of zeer waarschijnlijk’ zijn aan te nemen. Eventueel kan worden opgemerkt dat de status van factor 10 als normatief uitgangspunt en dus als hoofdregel in het arrest nog niet zeer duidelijk is, maar dat volgt wel duidelijk uit latere rechtspraak (vergelijk hierna).
Gemeente Leiden/Motorhuisiets heel anders bedoelde, namelijk dat jaarlijkse financieringslasten in hoogte veel nauwkeuriger vaststaan dan het bedrag van in de toekomst te missen omzet en dat ook slechts beperkt onzeker is of zulke financieringslasten zich nog gedurende vele relevante jaren zullen voordoen, en dat de grootte van financieringsschade daarom in het algemeen véél minder onzeker is dan die van te verwachten omzetschade. Zo gelezen zal een afwijking van factor 10 juist wat betreft inherent zeer onzekere schade zoals omzetschade
gemakkelijkerte billijken zijn. Ook voor deze lezing lijkt veel te zeggen. Van omzetschade die aanvankelijk door de verplaatsing van bijvoorbeeld een winkelbedrijf wordt geleden, is immers doorgaans onwaarschijnlijk dat zij zich na dertien jaar (om die termijn nu toch te noemen) nog steeds voordoet. De bedoelde financieringsschade berust op veel grotere zekerheid, namelijk dat de vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende voor het vervangende onvoldoende is en dat het meerdere moet worden gefinancierd. Ik merk nog op dat de duur waarvoor het bedrijf de onteigening weggedacht zou zijn voortgezet en de duur waarvoor het gereconstrueerde bedrijf zal worden voortgezet, weliswaar onzeker zijn, maar dat het lijkt zich niet te kunnen voordoen dat die duur zich tot hooguit enkele jaren beperkt (anders dan de zojuist bedoelde tijdelijke omzetschade bij verplaatsing van een winkelbedrijf), want in dat geval zal niet van reconstructie maar van liquidatie moeten worden uitgegaan.
nietpassend, zo impliceert wat uw Raad besliste. En in de zaak met betrekking tot het Heineken-bier was toepassing van factor 7
niettoelaatbaar zonder een onderzoek naar de individuele omstandigheden van het geval. Dat deze twee arresten ouder zijn dan de laatstgenoemde twee, betekent niet dat ze achterhaald zijn. Er is mijns inziens geen enkele aanleiding om te denken dat Heineken naar de huidige stand van het recht aanspraak zou hebben op de jaarlijkse omzetschade maal zeven, óók als zeker of zeer waarschijnlijk zou zijn dat zij zulke omzetschade grotendeels niet zou lijden in verband met verplaatsing van het bierminnend publiek. Zo ook is niet aannemelijk dat bij de beschikbaarheid van vervangende grond op de relatief korte termijn van niet meer dan enkele jaren, de inkomensschade van een agrariër naar de huidige stand van het recht tóch met toepassing van factor 10 behoort te worden begroot. Nee, nog steeds geldt dat vaststelling van de grootte van de schade met toepassing van de gebruikelijke kapitalisatiefactor niet is te rechtvaardigen indien zeker of zeer waarschijnlijk is dat de schade niet in die omvang wordt geleden. Omstandigheden die zulke zekerheid of grote waarschijnlijkheid meebrachten, deden zich in de arresten met betrekking tot de moskee respectievelijk de gemiste huurinkomsten eenvoudig niet voor en dáárom was afwijking van factor 10 als normatief uitgangspunt in die zaken niet toelaatbaar.
per sewillen herleiden tot een exacte termijn – wat mijns inziens eigenlijk geen recht doet aan wat het gebruik van factor 1 uitdrukt, niet anders dan factor 10, namelijk: ‘Wij kunnen het ook niet zeggen, ook niet bij benadering’ – die termijn niet één jaar is, maar bij benadering één jaar en vier maanden. Met de topslice zoals berekend bij de vergoeding van de werkelijke waarde is immers reeds een voortduren van de hogere dan marktconforme huur gedurende vier maanden verdisconteerd. Omdat de rechtbank ervan is uitgegaan dat de onteigening weggedacht de hogere huur echter langer dan die vier maanden hebben stand gehouden, is
daarnaasteen vergoeding van inkomensschade met toepassing van factor 1 toegekend (rechtsoverweging 2.22; vergelijk de bespreking van onderdeel 1 van het cassatiemiddel in het principaal beroep).
onder 1.5van het middel veronderstelt dat de rechtbank haar oordeel om van factor 10 af te wijken, diende te motiveren door een
concrete termijnte noemen waarbinnen naar haar oordeel de hogere huurprijs (hoger dan marktconform) zou zijn aangepast. Mijns inziens is niet juist dat die eis mag worden gesteld. Dat een begroting met toepassing van factor 10 tot een vergoeding zou leiden die zeker of zeer waarschijnlijk onjuist is, volstaat, ook al zal veelal niet goed mogelijk zijn om daarbij een precieze termijn te noemen. Indien we deskundigen en de rechter toch tot het noemen van zo’n termijn zouden dwingen, zou dit slechts tot onbevredigende schijnprecisie leiden.