6. De stukken van het geding houden, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
a. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg om te verschijnen op de terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 2 september 1997, houdt in dat die dagvaarding, na een vergeefse poging tot uitreiking aan het adres [b-straat 1] te [plaats A], op 4 augustus 1997 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van die Rechtbank, "omdat de geadresseerde, blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente, op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres was ingeschreven", en dat die dagvaarding op 4 augustus 1997 als gewone brief is verzonden aan het hiervoor genoemde adres.
b. Een tweede akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van die dagvaarding, houdt in dat die dagvaarding op 29 augustus 1997 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
c. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 2 september 1997 houdt in dat de verdachte aldaar aanwezig is.
d. De aantekening van het mondeling vonnis in eerste aanleg van 2 september 1997 houdt in dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven weken, waarvan drie weken voorwaardelijk.
e. Een verklaring als bedoeld in art. 451a, eerste lid, Sv houdt in dat de verdachte in hoger beroep wenst te gaan tegen het vonnis van 2 september 1997 en dat die verklaring op 11 september 1997 is ingeschreven in het register als bedoeld in art. 451a, tweede lid, Sv.
f. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 6 mei 1998, houdt in dat die dagvaarding, na een vergeefse poging tot uitreiking aan het adres [b-straat 1] te [plaats A], op 31 maart 1998 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage, "omdat blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van de woongemeente van de geadresseerde, deze op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres was ingeschreven", en dat die dagvaarding op 31 maart 1998 als gewone brief is verzonden aan het hiervoor genoemde adres.
g. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 mei 1998 houdt in de verdachte aldaar niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend.
h. Het arrest van het Hof van 20 mei 1998 houdt in dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.
i. Een akte van uitreiking, gehecht aan de mededeling uitspraak, houdt in dat die mededeling uitspraak op 20 december 2005 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
j. Een akte cassatie houdt in dat mr. J.L.A.M. le Cocq d'Armandville, advocaat te Rotterdam, op 7 december 2005 ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage is verschenen en heeft verklaard tot het aanwenden van het rechtsmiddel door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd en beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van 20 mei 1998.
k. Een aan de aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv gehecht GBA-overzicht van 18 januari 2006 houdt in dat de verdachte vanaf 1 augustus 1991, met uitzondering van de periode van 30 juni 2003 tot 3 september 2004, onafgebroken ingeschreven is geweest in de basisadministratie persoonsgegevens van [plaats A] dan wel [plaats B].