ECLI:NL:PHR:2006:AY8773
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Wijziging omgangsregeling en verblijfplaats kinderen na echtscheiding
Deze zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de wijziging van een omgangsregeling en de gewone verblijfplaats van hun minderjarige kinderen na echtscheiding. De moeder verzocht om aanpassing van de omgangsregeling en vaststelling van de verblijfplaats van de kinderen bij haar, vanwege haar verhuizing naar een andere woonplaats. De rechtbank wees dit verzoek af en bepaalde dat de kinderen bij de vader zouden verblijven.
In hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis en stelde dat de kinderen hun gewone verblijfplaats bij de moeder zouden hebben, met een omgangsregeling voor de vader die onder meer twee weekenden per maand en de helft van de schoolvakanties omvat. Het hof baseerde dit onder andere op de continuïteit van de zorg die de moeder voor de kinderen op zich nam en uit zorg over het gedrag van de vader, waaronder zijn travestie en vermoedelijk overmatig alcoholgebruik.
De vader stelde cassatie in tegen het hofarrest met meerdere middelen, waaronder betwisting van de ontvankelijkheid van het verzoek van de moeder en motiveringsklachten over de overwegingen van het hof. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het hof terecht het verzoek van de moeder ontvankelijk heeft verklaard en inhoudelijk heeft beoordeeld. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom de wijziging in het belang van de kinderen was.
De Hoge Raad benadrukte dat bij gezamenlijk gezag en wisselende verblijfplaatsen van kinderen, geschillen over zorg en omgang aan de rechter kunnen worden voorgelegd en dat wijziging van omgangsregelingen mogelijk is op grond van gewijzigde omstandigheden. Het beroep werd verworpen en het hofarrest bekrachtigd.
Uitkomst: De gewone verblijfplaats van de kinderen wordt vastgesteld bij de moeder met een omgangsregeling voor de vader.