ECLI:NL:PHR:2006:AZ0139
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw bij ontstaan schulden
De zaak betreft het verzoek van [verzoeker], voormalig vennoot van een gerechtsdeurwaardersmaatschap, om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) op grond van artikel 288 lid 2 sub b Faillissementswet Pro, waarbij werd betwist dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan van zijn schulden.
Het Hof Amsterdam had het verzoek afgewezen omdat [verzoeker] mede verantwoordelijk werd gehouden voor de bedrijfsvoering van de maatschap, waaronder het onttrekken van gelden aan kwaliteitsrekeningen en het aangaan van een krediet bij Hollandse Bank Unie (HBU) ondanks een precaire financiële situatie. Het hof oordeelde dat hij onvoldoende maatregelen had genomen om de situatie te verbeteren en zijn privé-opnamen niet had verlaagd, wat als verwijtbaar werd beschouwd.
In cassatie betoogt [verzoeker] onder meer dat hij als toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder geen zeggenschap had over de kwaliteitsrekening en dat HBU volledig op de hoogte was van de situatie maar toch krediet verleende. De Hoge Raad overweegt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom [verzoeker] niet te goeder trouw zou zijn geweest, mede omdat het hof niet alle relevante omstandigheden heeft meegewogen, waaronder het gedrag van HBU.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor een nieuwe beoordeling van de goede trouw van [verzoeker], waarbij alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij afwijzing van de schuldsaneringsregeling op grond van het ontbreken van goede trouw.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor herbeoordeling.