ECLI:NL:PHR:2007:AZ1634
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Nederlanderschap bij postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van vaderschap
In deze zaak stond de vraag centraal of voor de toepassing van artikel 4 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) een postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap gelijkgesteld kan worden met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Dit was relevant omdat sinds 1 april 2003 een postnatale erkenning door een Nederlandse vader niet automatisch het Nederlanderschap van het kind tot gevolg heeft, tenzij het vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld.
Het kind, geboren op Curaçao uit een moeder met de Dominicaanse nationaliteit en erkend door een Nederlandse vader, werd op grond van een verzoek ex artikel 17 RWN Pro door het Gemeenschappelijk Hof Nederlander verklaard. Het Hof stelde dat de postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap gelijkgesteld moest worden aan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, mede gelet op het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
De Staat der Nederlanden kwam in cassatie tegen deze beschikking, stellende dat het Nederlands-Antilliaanse recht de gerechtelijke vaststelling van vaderschap niet kent en dat het verschil in behandeling tussen prenatale en postnatale erkenning gerechtvaardigd is. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat de Staat als belanghebbende in cassatie kon optreden. De Hoge Raad oordeelde dat het Gemeenschappelijk Hof terecht de postnatale erkenning met bewijs van verwekkerschap gelijkstelde aan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap voor de toepassing van artikel 4 RWN Pro, en dat deze benadering strookt met het stelsel van de RWN en internationale verdragsnormen.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep van de Staat, waarmee de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staat werd verworpen en de postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap werd gelijkgesteld aan gerechtelijke vaststelling van het vaderschap voor het verkrijgen van het Nederlanderschap.