ECLI:NL:PHR:2007:AZ5670
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling medeplegen moord en beoordeling shockschade vordering moeder slachtoffer
Op 2 november 2003 heeft verdachte samen met een medeverdachte met voorbedachten rade het slachtoffer, de ex-vriendin van verdachte, doodgeschoten in haar woning. Het hof verklaarde verdachte schuldig aan medeplegen van moord en veroordeelde hem tot zes jaar gevangenisstraf met terbeschikkingstelling.
De moeder van het slachtoffer vorderde immateriële schadevergoeding wegens shockschade, omdat zij aanwezig was bij het schietincident en haar dochter in haar armen zag sterven. Het hof kende haar een voorschot van €10.000 toe, maar verklaarde de rest van haar vordering niet-ontvankelijk omdat het niet aannemelijk was gemaakt dat sprake was van een psychiatrisch erkend ziektebeeld.
In cassatie werd aangevoerd dat het hof onvoldoende had gemotiveerd of aan het vereiste van een psychiatrisch erkend ziektebeeld was voldaan. De Hoge Raad oordeelde dat het vaststellen van een dergelijk letsel een feitelijke beoordeling betreft die niet in cassatie kan worden getoetst. De medische verklaring van de huisarts die een angststoornis constateerde, was voldoende voor het hof om tot toewijzing te komen. De vordering werd echter niet-ontvankelijk verklaard omdat shockschadevorderingen niet eenvoudig zijn en nader onderzoek behoeven.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat sprake was van medeplegen met voorbedachten rade en verwierp de cassatiemiddelen. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn was overschreden, wat tot strafvermindering zou moeten leiden.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor medeplegen moord en moeder slachtoffer toegewezen voorschot op shockschade van €10.000.