ECLI:NL:PHR:2007:BA0875
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontoelaatbaarheid uitlevering bij bewezen foltering door verzoekende staat
In deze zaak stond het verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Republiek Moldavië centraal, waarbij de verdediging stelde dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor uitlevering werd gevraagd, door functionarissen van Moldavië was gefolterd. De rechtbank had het verzoek tot uitlevering toelaatbaar verklaard, omdat het verweer onvoldoende concreet en aannemelijk was onderbouwd.
De Hoge Raad bevestigt de vaste rechtspraak dat indien vaststaat dat de opgeëiste persoon door politiefunctionarissen van de verzoekende staat is gefolterd in verband met de zaak waarvoor uitlevering wordt gevraagd, de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren. Dit volgt uit art. 3 EVRM Pro en het VN-verdrag tegen foltering. Echter, de bewijslast hiervoor ligt zwaar en het verweer moet voldoende onderbouwd zijn.
De Hoge Raad benadrukt het onderscheid tussen het verweer dat reeds foltering heeft plaatsgevonden en het verweer dat na uitlevering foltering dreigt. Alleen in het eerste geval komt de uitleveringsrechter aan zet; in het tweede geval is het oordeel voorbehouden aan de Minister van Justitie. In deze zaak ontbrak het aan concrete gegevens, zoals data, plaatsen of betrokken functionarissen, en waren de stellingen onvoldoende geconcretiseerd om het verweer te toetsen.
De Hoge Raad wijst tevens op het belang van het vertrouwen in de verzoekende staat als partij bij het EVRM, waarbij in beginsel wordt aangenomen dat de verzoekende staat de verdragsbepalingen zal respecteren. Alleen bij een gegrond en goed onderbouwd vermoeden van flagrante schendingen kan uitlevering worden geweigerd.
Het cassatieberoep is verworpen wegens onvoldoende onderbouwing van het verweer en het ontbreken van nieuwe feiten die in cassatie kunnen worden ingebracht. De uitspraak van de rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep is verworpen en de uitlevering aan Moldavië is toelaatbaar verklaard omdat het verweer van foltering onvoldoende aannemelijk was.