Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
primair: de Staat te verbieden hem uit te leveren aan de V.S.;
subsidiair: de Staat te verbieden hem uit te leveren aan de V.S. zonder onderzoek naar de rol die de autoriteiten van de V.S. hebben gespeeld bij de folteringen die hij heeft ondergaan in Pakistan;
meer subsidiair: de Staat te verbieden hem uit te leveren zonder nadere garanties te bedingen bij de autoriteiten van de V.S. met betrekking tot: (i) de detentieomstandigheden ten aanzien van hem in de V.S., (ii) de overdracht van hem aan Nederland na een eventuele veroordeling in de V.S., (iii) de voortzetting van de medische (EMDR-)behandeling die hij ondergaat vanwege een posttraumatisch stress-syndroom;
eigenfunctionarissen. Dit neemt volgens het hof niet weg dat op Nederland als aangezochte staat een verplichting tot onderzoek rust, gelet op het grote belang dat foltering wordt uitgebannen en dat de opgeëiste persoon niet wordt uitgeleverd aan een land dat betrokken is geweest bij zijn foltering (rov. 3.6). Op grond van een viertal omstandigheden achtte het hof “bepaald niet ondenkbaar” dat de V.S. aan de Pakistaanse autoriteiten hebben verzocht de thans opgeëiste persoon aan te houden. Indien dit zo is, hebben functionarissen van de V.S. de foltering van de opgeëiste persoon bewerkstelligd omdat zij wisten althans hadden moeten weten dat foltering van de opgeëiste persoon het vrijwel onvermijdelijke gevolg van die aanhouding zou zijn. In dat geval moet de uitlevering worden verboden (rov. 3.7). Het hof heeft de Staat in de gelegenheid gesteld nader onderzoek in te stellen naar de vraag of de V.S., voorafgaand aan de aanhouding op 20 september 2010, aan de Pakistaanse autoriteiten de aanhouding van de opgeëiste persoon hebben verzocht (rov. 3.8). Het hof bepaalde een datum voor een voortzetting van de behandeling van het kort geding en hield iedere verdere beslissing aan.
2.Inleidende beschouwingen
ius cogens). Dit brengt mee dat verplichtingen van een verdragsstaat uit het Verdrag tegen foltering voorrang hebben boven verplichtingen uit hoofde van een uitleveringsverdrag [19] . Het folterverbod heeft een absoluut karakter: geen enkele uitzonderlijke omstandigheid, ongeacht of het gaat om een oorlogstoestand, een oorlogsdreiging, binnenlandse politieke onrust of welke andere openbare noodsituatie ook, kan worden aangevoerd als rechtvaardiging voor foltering (art. 2 lid 2 Verdrag Pro tegen foltering).
exclusionary rule [22] : iedere verdragsstaat zorgt ervoor dat verklaringen waarvan wordt vastgesteld dat zij zijn afgelegd ten gevolge van foltering, niet worden aangevoerd als bewijs in een rechtszaak (behalve tegen een van foltering beschuldigde persoon, als bewijs dat de verklaring werd afgelegd).
in de toekomst. Dit sluit vanzelfsprekend niet uit dat wanneer de opgeëiste persoon in het verleden is gefolterd in (of door toedoen van) de verzoekende staat, die vaststelling in sterke mate kan bijdragen tot het oordeel dat (ook) in de toekomst de opgeëiste persoon in die staat niet veilig is. Art. 3 van Pro het Verdrag tegen foltering geeft geen precisering van de omvang van de te verrichten toetsing, anders dan in het tweede lid dat hiervoor werd geciteerd [23] . Uit een Algemeen commentaar bij dit verdrag [24] kan worden afgeleid aan de hand van welke aandachtspunten het verdragscomité zelf de in dit artikel bedoelde toetsing verricht:
negatieveverplichtingen van staten die partij zijn bij het EVRM behoort de verplichting zich te onthouden van foltering, maar ook een verbod van
refoulement: het verbod om een persoon die zich in hun rechtsmacht bevindt uit te leveren aan een andere staat indien er gegronde redenen zijn om te vrezen dat die persoon, na zijn overbrenging naar die staat zal worden gefolterd [26] . De standaard is gezet in het arrest van het EHRM van 7 juli 1989 inzake Soering/Verenigd Koninkrijk [27] . Na een uiteenzetting over de toepassing van art. 3 EVRM Pro in uitleveringszaken (rov. 81 - 90) overwoog het EHRM:
positieveverplichtingen die uit art. 3 EVRM Pro voortvloeien behoort de plicht van een verdragsstaat om een onderzoek in te stellen wanneer wordt geklaagd over een foltering, begaan binnen een gebied waarover of door een persoon over wie deze staat rechtsmacht uitoefent. Het doel van het onderzoek heeft het EHRM omschreven als volgt:
fairen grondig uitgevoerd onderzoek een positief resultaat (te weten: de identificatie en bestraffing van degene die voor de foltering verantwoordelijk is) niet altijd wordt verkregen [28] .
claimontkent, is het voor de (gewezen) gedetineerde dikwijls moeilijk of onmogelijk om bewijs van zijn bewering te leveren. Soms vloeit de bewijslastverdeling uit de feiten zelf voort (
res ipsa loquitur): wanneer een gedetineerde heelhuids de gevangenis is ingegaan en daar later gewond wordt aangetroffen zonder dat een aannemelijke andere verklaring voor het letsel kan worden gegeven, mag de rechter aan deze feiten consequenties verbinden voor de bewijslastverdeling [29] . In gevallen waarin de feiten niet voor zich spreken, is nader onderzoek nodig. Een verplichting van staten die partij zijn bij het EVRM tot het instellen van een onderzoek kan worden gekoppeld aan art. 13 EVRM Pro: het recht op een effectief rechtsmiddel [30] . In latere jurisprudentie is rechtstreeks op grond van art. 3 EVRM Pro een positieve verplichting aangenomen tot het instellen van een behoorlijk onderzoek na een melding van foltering [31] . Blijft in een zodanig geval een behoorlijk onderzoek achterwege, dan kan reeds dat feit bijdragen tot het oordeel dat de verantwoordelijke verdragsstaat art. 3 EVRM Pro heeft geschonden [32] .
exclusionary ruletoepassen. Een uitleveringsverdrag wordt slechts gesloten indien Nederland erop vertrouwt dat alle uit te leveren personen in de verzoekende staat een eerlijk proces hebben gehad of zullen krijgen. Men noemt dit het ‘vertrouwensbeginsel’ in het uitleveringsrecht [36] of het beginsel van
non inquiry [37] . In een uitleveringsverdrag wordt omschreven in welke gevallen en onder welke voorwaarden uitlevering plaatsvindt. Ten aanzien van staten die geen partij zijn bij het EVRM vindt het vertrouwensbeginsel zijn rechtvaardiging hierin dat Nederland “het resultaat van bilaterale onderhandelingen die hebben geleid tot het desbetreffende uitleveringsverdrag, heeft kunnen afstemmen op aard en mate van erkenning van bedoelde fundamentele rechtsbeginselen in het andere land bij de onderhandelingen over het uitleveringsverdrag” [38] .
in verband met de zaak waartoe uitlevering is verzocht. In die gevallen laat de uitleveringsrechter de keuze niet aan de minister over, maar beslist de uitleveringsrechter zelf dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar is. Zie HR 15 oktober 1996, NJ 1997/533:
in verband met de vervolging of het strafrechtelijk onderzoek ten behoeve waarvan de uitlevering is verzocht, de opgeëiste persoon in die staat geen eerlijk proces kan hebben gehad noch zal kunnen krijgen. Met andere woorden: indien de foltering heeft plaatsgevonden in verband met het strafrechtelijk onderzoek ten behoeve waarvan de uitlevering is verzocht, is dat strafrechtelijk onderzoek (en/of de daarop gebaseerde vervolging) internationaalrechtelijk ‘besmet’ geraakt en mag de minister in geen geval medewerking verlenen aan de voortzetting daarvan. In die situatie past het, dat de uitleveringsrechter de beslissing van de minister niet afwacht en meteen zelf de uitlevering ontoelaatbaar verklaart [48] . Ook in het arrest van 17 april 2012 is dit criterium toegepast; zie 1.1.7 hiervoor.
andersdan in verband met de (straf)zaak ten behoeve waarvan de uitlevering is verzocht, dan geldt, naar ik begrijp, nog steeds de hoofdregel dat de uitleveringsrechter de beslissing aan de minister overlaat, aangenomen dat overigens aan de eisen van het uitleveringsverdrag is voldaan. Wel kan de rechter advies uitbrengen op de voet van art. 30 lid 2 Uw Pro. Op de gevolgen van deze jurisprudentie voor de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de burgerlijke rechter kom ik terug bij de bespreking van middelonderdeel 3 in het principaal cassatieberoep.
in het tussenarrest verondersteldeverzoek van de V.S. aan de Pakistaanse autoriteiten om de opgeëiste persoon aan te houden onder de in rov. 3.7 aangeduide omstandigheden moet worden aangemerkt als het ‘uitlokken of bewerkstelligen’ van foltering van die persoon. Dit rechtsoordeel wordt door de Staat bestreden in middelonderdeel 1 en zal in dat verband worden besproken.
equality of arms, zoals dit uit art. 6 EVRM Pro voortvloeit, hetzij een door het hof aangenomen internationaalrechtelijke verplichting van de Staat om ertoe bij te dragen dat foltering wereldwijd wordt uitgebannen, door in gevallen waarin vaststaat dat foltering heeft plaatsgevonden maar onduidelijk is gebleven of functionarissen van de verzoekende staat daarbij betrokken zijn geweest, uitlevering aan de verzoekende staat te weigeren.
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
klacht onder ahoudt samengevat in dat het hof in het tussenarrest is uitgegaan van een te ruime uitleg van de begrippen ‘uitgelokt’ of ‘bewerkstelligd’. Van ‘uitlokken’ of ‘bewerkstelligen’ van foltering kan volgens de Staat niet reeds worden gesproken zodra functionarissen van de verzoekende staat (hier: de V.S.) aan een ander land (hier: Pakistan) het verzoek hebben gedaan om de betrokken persoon aan te houden. Daarvoor is meer vereist, namelijk:
actieve betrokkenheidvan de V.S. bij de foltering, in die zin dat functionarissen van de V.S. foltering van de opgeëiste persoon hebben opgedragen, aanbevolen of gesuggereerd aan de Pakistaanse autoriteiten.
beoogd.
de opgeëiste persoonin Pakistan zou worden gefolterd. Een bekendheid met een
in het algemeenin Pakistan bestaand risico dat (bepaalde categorieën van) verdachten worden gefolterd is, volgens de Staat, niet voldoende om te kunnen spreken van het ‘uitlokken’ of ‘bewerkstelligen’ van de onderhavige foltering [51] .
verband houden met de zaak waarvoor zijn uitlevering is of zal worden gevraagd.
aid or assistance,
direction and controlonderscheidenlijk
coercion, te weten:
complicityheeft in het Angelsaksische recht een tamelijk ruime betekenis. Het begrip
complicity(
accomplice) omvat in ieder geval
aiding and abetting(vrij vertaald: directe hulp verlenen bij het misdrijf en aanmoedigen tot het misdrijf), maar sluit betrokkenheid op afstand, zoals de planning van het misdrijf, niet uit [58] . In het internationaal strafrecht bestaat al sinds de berechting van Japanse militaire leiders kort na de Tweede Wereldoorlog aandacht voor een vorm van strafrechtelijke aansprakelijkheid voor gedragingen van anderen, genaamd
command responsibility. Bij strafrechtelijke aansprakelijkstelling van personen die zich letterlijk op grote afstand van de plaats van het misdrijf bevinden, uit hoofde van hun functionele eindverantwoordelijkheid voor gedragingen van anderen, is een telkens terugkerend probleem hoe specifiek de wetenschap moet zijn die zij van de misdragingen van hun ondergeschikten hadden, vóórdat van hen kan worden geëist dat zij daartegen optreden [59] . In een recente uitspraak van het Joegoslavië-tribunaal over de aansprakelijkheid van hoge (militaire) functionarissen voor door anderen gepleegde misdrijven, waaronder seksueel misbruik [60] , had een van de verweren betrekking op de mate van bewustheid die de beschuldigde functionaris moet hebben gehad van de door anderen gepleegde of te plegen feiten: moet deze
specifiekgericht zijn geweest op het in concreto begane misdrijf? De
Chamber of Appealoverwoog dat “
specific direction” geen noodzakelijk bestanddeel is van
aiding and abetting liability. De gedraging (
actus reus) van
aiding and abettingveronderstelt
practical assistance, encouragement or moral support which has a substantial effect on the perpetration of the crime. De voor een veroordeling als
accomplicebenodigde geestelijke instelling (
mens rea, d.w.z. de mate van opzet of schuld) werd door de
Chamber of Appealomschreven als
the knowledge that these acts assist the commission of the crime(rov. 1649 - 1650).
condicio sine qua non-verband bestaat tussen de gedraging en de foltering (bijvoorbeeld in deze zin, dat als de V.S. niet aan Pakistan om de aanhouding van de opgeëiste persoon hadden gevraagd, de aandacht van de I.S.I. niet op hem zou zijn gevestigd en hij niet gefolterd zou zijn). In zoverre heeft de Staat gelijk met zijn standpunt dat een louter passieve betrokkenheid van de V.S. bij de foltering niet volstaat. De te beantwoorden vraag is m.i. veeleer: of de door de Hoge Raad vereiste mate van betrokkenheid (‘uitlokken of bewerkstelligen’) ook vormen van medeplichtigheid omvat. Het Verdrag tegen foltering wijst in de richting van een positief antwoord op deze vraag.
als verdacht van terroristische handelingenvestigt de aandacht van de I.S.I. op de opgeëiste persoon en op de aard van de tegen hem bestaande verdenking. Het oorzakelijk verband tussen het aanhoudingsverzoek op deze grond en de foltering in Pakistan heeft het hof aangegeven met de overweging dat de desbetreffende functionarissen van de V.S. wisten althans hebben moeten weten dat de foltering het (vrijwel) onvermijdelijke gevolg van de aanhouding zou zijn. Kortom, in de redenering van het hof gaat het om een actieve gedraging van functionarissen van de V.S. en is de foltering niet een onvoorzien en onvoorzienbaar gevolg van het aanhoudingsverzoek geweest. Het hof heeft het oog op wat wij in het Nederlandse strafrecht zouden aanduiden als: het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf van foltering. De klacht dat het hof over het hoofd heeft gezien dat een actieve gedraging van de V.S. nodig was, mist daarom feitelijke grondslag.
oogmerkvan de betrokken functionarissen van de V.S. niet uit het tussenarrest kan worden afgeleid, lijkt mij gegrond. Het hof houdt immers rekening met beide mogelijkheden: in de eerste plaats de mogelijkheid dat functionarissen van de V.S. de opgeëiste persoon opzettelijk in handen hebben gespeeld van de I.S.I., in de wetenschap dat hij, als verdacht van terrorisme, dan hoogstwaarschijnlijk zou worden gefolterd. Daarnaast houdt het hof rekening met de mogelijkheid dat dit verzoek culpoos is gedaan en dat aan de Amerikaanse functionarissen (slechts) het verwijt kan worden gemaakt dat zij de opgeëiste persoon, als verdacht van terrorisme, in handen van de I.S.I. hebben gespeeld hoewel zij op dat moment zich ervan bewust hadden moeten zijn dat een aanhouding op grond van juist deze verdenking in Pakistan hoogstwaarschijnlijk tot foltering zou leiden. Een culpoze handeling is m.i. niet voldoende om te kunnen spreken van ‘uitlokken’ of ‘bewerkstelligen’ van foltering in de betekenis waarin deze woorden zijn gebruikt in het arrest van 17 april 2012. De veronderstelde tegenwerping, dat het in dit geding niet om een vervolging van de betrokken functionarissen gaat maar om overheidsaansprakelijkheid naar Nederlands burgerlijk recht, neemt niet weg dat het criterium is: het ‘uitlokken’ of ‘bewerkstelligen’ van foltering. Toch leidt deze klacht niet tot cassatie (tenzij ook een van de andere middelonderdelen zou slagen), omdat de Staat bij deze klacht belang mist. Nu de Staat uitdrukkelijk heeft geweigerd de verlangde inlichtingen aan het hof te geven over de vraag of de V.S. aan Pakistan om aanhouding van de opgeëiste persoon hebben verzocht, had het hof ten tijde van het wijzen van het eindarrest nog geen enkele duidelijkheid verkregen omtrent het gestelde arrestatieverzoek van de V.S. Derhalve moest het hof, bij het wijzen van zijn eindarrest, nog steeds rekening houden met de mogelijkheid dat functionarissen van de V.S. de opgeëiste persoon opzettelijk in handen hebben gespeeld van de I.S.I. in de wetenschap dat hij, als verdacht van terrorisme, dan hoogstwaarschijnlijk zou worden gefolterd. In die context - als hypothetische grondslag - valt de terughoudende opstelling van het hof als voorzieningenrechter ten opzichte van een − praktisch niet meer ongedaan te maken − uitlevering aan de V.S. te begrijpen.
in abstractowel eens voorkomt dat gedetineerden in Pakistan worden gefolterd. Het hof heeft omstandigheden aangewezen waaruit volgt (i) dat het veronderstelde aanhoudingsverzoek van de V.S. aan de Pakistaanse autoriteiten betrekking had op een persoon die door hen van terroristische handelingen werd verdacht, (ii) dat juist de categorie gedetineerden die van terroristische handelingen wordt verdacht in Pakistan routinematig wordt gefolterd door een inlichtingendienst en (iii) dat er aanwijzingen zijn dat de autoriteiten van de V.S. en die van Pakistan nauw contact met elkaar hebben gehad over deze aanhouding. Het stellen van verder gaande eisen zou de handhaving van het folterverbod ernstig kunnen bemoeilijken. Zo nodig kan aansluiting worden gezocht bij de omschrijving:
the knowledge that these acts assist the commission of the crime.
rechtsklacht onder ahoudt in dat het hof heeft miskend dat het aan de opgeëiste persoon was om aannemelijk te maken dat de V.S. zijn foltering in Pakistan hebben uitgelokt of bewerkstelligd. Het was niet aan de Staat om het tegendeel aannemelijk te maken. Ter toelichting op deze klacht wijst de Staat op het vertrouwensbeginsel in het uitleveringsrecht. De hiermee samenhangende
rechtsklacht onder bhoudt in dat voor het aannemen van een onderzoeksplicht van de Staat zoals door het hof bedoeld, eerst ruimte is indien de opgeëiste persoon doet blijken van
voldoende concrete omstandighedenop grond waarvan aannemelijk is dat functionarissen van de V.S. zijn foltering hebben uitgelokt of bewerkstelligd. Volgens het middelonderdeel heeft het hof in rov. 3.7 van het tussenarrest onjuiste, want te lage, eisen gesteld aan hetgeen de opgeëiste persoon in dit verband dient te bewijzen althans aannemelijk dient te maken in kort geding. Eenzelfde klacht is gericht tegen rov. 1.5 in het eindarrest, voor zover het hof daarin voortbouwt op de hier bestreden overwegingen in het tussenarrest.
ius cogenswordt gerekend, moet een verplichting van Nederland op grond van het uitleveringsverdrag met de V.S. wijken voor een verplichting van Nederland op grond van het folterverbod. Van een gefolterde − het feit van zijn foltering in Pakistan staat tussen partijen vast − kan niet méér worden verwacht dan dat hij alle bij hem bekende feiten en omstandigheden omtrent de foltering en de eventuele betrokkenheid van de V.S. daarbij aan de rechter voorlegt. Indien die feiten niet toereikend zijn om betrokkenheid van de V.S. bij de foltering aan te tonen, zoals het hof in rov. 3.5 heeft geoordeeld [62] , en dit een gevolg is van een
inequality of armsdoordat de gefolterde geen en de Staat wel toegang heeft tot de benodigde informatie over de aanhouding in Pakistan en de daaraan voorafgaande contacten tussen functionarissen van de V.S. en de autoriteiten in Pakistan, kan de
equality of armsworden hersteld wanneer de Staat informatie opvraagt bij de bevoegde autoriteiten van de V.S. Zie alinea 4.6 hierna.
obligation to protect. Deze verplichting omvat ook bescherming tegen daders van wie de identiteit onbekend is. In zoverre kan de door het hof geschetste situatie van onzekerheid worden vergeleken met een persoon die onderdak biedt aan een vluchteling die toevlucht onder zijn dak heeft gezocht, wetend dát hij werd achtervolgd, maar niet door wie. Hij zal de vluchteling niet uitleveren aan degene die daarom vraagt, zonder eerst te onderzoeken of deze degene is voor wie de vluchteling op de vlucht was. Een positieve verplichting tot bescherming tegen een onbekende folteraar (c.q. uitlokker of bewerkstelliger van foltering) brengt niet mee dat de Staat der Nederlanden een vrijhaven wordt voor verdachten van terroristische handelingen. Integendeel, in het internationaal recht geldt de norm dat de verdachte van een ernstig misdrijf hetzij wordt uitgeleverd, hetzij in het land waarin hij zich bevindt wordt vervolgd:
aut dedere aut iudicare. In het Verdrag tegen foltering is deze internationale norm neergelegd in artikel 7 lid Pro 1. Een gevolg van de bestreden beslissing van het hof kan zijn dat de Staat zich genoodzaakt ziet, de opgeëiste persoon ter vervolging over te dragen aan het Openbaar Ministerie [63] .
obligation to protectziet op bescherming tegen toekomstige foltering. In dit geval heeft het hof de uitlevering niet onrechtmatig geacht op de grond dat er gegronde redenen zouden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na uitlevering aan de V.S. het risico loopt (opnieuw) te worden gefolterd. Het hof spreekt over het belang van het uitbannen van foltering. Een stelselmatige weigering van staten om medewerking, in de vorm van uitlevering, te verlenen aan de voortzetting van een strafrechtelijk onderzoek of vervolging in de verzoekende staat indien
in verband met dat onderzoekfoltering is toegepast door of door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat, kan een bijdrage leveren aan het wereldwijd uitbannen van foltering. De kans dat een strafrechtelijk onderzoek internationaal ‘besmet’ wordt verklaard kan een staat doen afzien van het gebruik van foltering. Om deze redenen falen de rechtsklachten onder a en b.
motiveringsklacht onder cheeft een subsidiair karakter. Zij houdt in dat het hof het (voorlopige) oordeel in het tussenarrest in rov. 3.7 onder (v), dat “bepaald niet ondenkbaar is” dat de V.S. aan de Pakistaanse autoriteiten een verzoek hebben gedaan tot aanhouding van de opgeëiste persoon en dat, indien dit zo is, functionarissen van de V.S. de foltering hebben ‘bewerkstelligd’ en de uitlevering moet worden verboden, ontoereikend heeft gemotiveerd. Het middelonderdeel klaagt met name over twee aspecten:
c.1:dat van de vier omstandigheden waarnaar het hof in rov. 3.7 verwijst, de omstandigheden onder (ii) en (iii) in wezen overeenkomen met omstandigheden waarvan het hof in rov. 3.5 heeft overwogen dat zij niet aannemelijk maken dat functionarissen van de V.S. de foltering in Pakistan hebben ‘uitgelokt of bewerkstelligd’ [64] . Gegeven dit oordeel in rov. 3.5, is volgens de Staat onbegrijpelijk dat en waarom het hof van oordeel is dat diezelfde omstandigheden wél kunnen bijdragen aan het oordeel in rov. 3.7 onder (v);
c.2:dat de omstandigheden die het hof in rov. 3.7 onder (ii) - (iv) heeft opgesomd, inzonderheid het feit dat de autoriteiten van de V.S. over deze kwestie “in contact stonden” met de Pakistaanse autoriteiten, niet zonder meer de gevolgtrekking kunnen dragen dat de V.S. de Pakistaanse autoriteiten hebben verzocht om de opgeëiste persoon aan te houden.
klacht onder drechtens onjuist, althans onbegrijpelijk zonder een nadere motivering. Zelfs wanneer een aanhoudingsverzoek kan worden gelijkgesteld met het ‘uitlokken of bewerkstelligen’ van foltering, is volgens de Staat ten minste nodig dat de desbetreffende functionarissen van de V.S. toen wisten althans hadden moeten weten dat de uitvoering van het aanhoudingsverzoek tot gevolg zou hebben dat specifiek de opgeëiste persoon zou worden gefolterd en dat die foltering in verband staat met de zaak ten behoeve waarvan de uitlevering is verzocht. Een bekendheid (uit rapportages van mensenrechtenorganisaties) met een
in het algemeenin het land van aanhouding bestaand risico dat (bepaalde categorieën van) verdachten worden gefolterd, is volgens de klacht niet voldoende.
voltooideschending van art. 3 is Pro voorbehouden aan de uitleveringsrechter [67] . De
rechtsklacht onder ahoudt in dat het hof de verhouding tussen uitleveringsrechter en burgerlijke rechter heeft miskend, met name in rov. 3.7 en 3.8 van het tussenarrest. Ter toelichting heeft de Staat aangevoerd dat in de uitleveringsprocedure door de rechtbank al een beslissing was genomen over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering. Nu de minister, in zijn besluit tot het inwilligen van het uitleveringsverzoek, zich heeft aangesloten bij het onherroepelijke oordeel van de uitleveringsrechter, had de burgerlijke rechter volgens de Staat alleen nog ruimte om dit besluit van de minister onrechtmatig te verklaren indien het oordeel van de uitleveringsrechter op een kennelijke vergissing berust of indien sprake is van zodanige gewijzigde of nieuwe omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de uitleveringsrechter, als hij daarmee tijdig bekend zou zijn geweest, tot een ander oordeel over de toelaatbaarheid van de uitlevering zou zijn gekomen. Volgens de Staat heeft het hof deze maatstaf niet aangelegd; in ieder geval blijkt uit het bestreden arrest niet dat het hof heeft onderzocht of de nieuwe argumenten waarop de opgeëiste persoon zich in dit geding heeft beroepen, van dien aard waren dat de uitleveringsrechter − indien daarmee bekend − tot een ander oordeel over de toelaatbaarheid van de uitlevering zou zijn gekomen. Subsidiair klaagt het middelonderdeel over onbegrijpelijkheid van de motivering op dit punt.
alleaspecten van het besluit van de minister aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd: de burgerlijke rechter toetst de rechtmatigheid in volle omvang. Als de minister niet gebonden is aan de toelaatbaarverklaring, is ook de burgerlijke rechter dat niet. Dit neemt niet weg, dat in het geding voor de burgerlijke rechter een beroep kan worden gedaan op het gezag van gewijsde dat toekomt aan een onherroepelijk oordeel van de uitleveringsrechter in de rechtsbetrekking tussen dezelfde partijen [68] . Het oordeel van uitleveringsrechter houdt niet in − en kan ook niet inhouden − dat het besluit van de minister rechtmatig is: ten tijde van het oordeel van de uitleveringsrechter was de minister nog niet aan zet. Niettemin ligt het voor de hand dat de burgerlijke rechter zich zoveel mogelijk richt naar het oordeel van de uitleveringsrechter over de publiekrechtelijke rechtsverhouding. In een andere
settingheeft de Hoge Raad overwogen dat het gezag van gewijsde van een (gedeeltelijk) eindvonnis niet is beperkt tot de in het dictum gegeven beslissingen, maar zich ook uitstrekt tot de daaraan ten grondslag liggende oordelen [69] . In de redenering van de Staat is er ruimte voor een afwijkend oordeel van de burgerlijke rechter indien sprake is van een kennelijke vergissing in het oordeel van de uitleveringsrechter [70] of wanneer de eisende partij een beroep doet op nieuwe of gewijzigde omstandigheden waarmee de uitleveringsrechter geen rekening heeft kunnen houden.
nietbeperkt tot een kale toetsing aan het toepasselijke uitleveringsverdrag. De rechtbank heeft ook in haar beoordeling betrokken of is komen vast te staan dat de foltering is geschied door of door toedoen van functionarissen van de V.S. De uitleveringsrechter overwoog dienaangaande:
klacht onder bis met name gericht tegen rov. 1.4 van het eindarrest, waarin het hof overweegt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou treden wanneer het, met een beroep op het systeem van de uitleveringsprocedure, zou hebben geweigerd deze − ook door de Staat zelf als ‘nieuw’ aangemerkte − feiten in zijn oordeel te betrekken. De klacht houdt in dat dit oordeel hetzij blijk geeft van een onjuiste uitleg van de stellingen van de Staat, hetzij − indien het hof dit standpunt van de Staat heeft opgevat als een tardief verweer, omdat in hoger beroep slechts één schriftelijke ronde plaatsvindt − door het hof is miskend dat de Staat dit al eerder had aangevoerd.
4.Bespreking van de middelen in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
mainstreamAmerikaanse krant) de vermoedelijke Amerikaanse betrokkenheid bij gewelddadige verhoren door de Pakistaanse inlichtingendienst bevestigd.
inequality of armsop te heffen. Het vereiste van
fair trialin art. 6 lid 1 EVRM Pro omvat onder meer het beginsel van
equality of arms. Dit beginsel houdt in dat iedere procespartij een redelijke kans moet krijgen om zijn zaak aan de rechter voor te leggen onder voorwaarden die haar niet op voorhand in een achterstandspositie brengen ten opzichte van de tegenpartij in het geding [76] . Voor de patiënt op de operatietafel die stelt het slachtoffer te zijn geworden van een medische kunstfout, maar niet of nauwelijks mogelijkheden heeft om dat standpunt te bewijzen of met feiten te onderbouwen, heeft de Hoge Raad gekozen voor een extra stelplicht van de wederpartij in het geding, waarmee de ongelijke informatiepositie kan worden hersteld. Van de tot schadevergoeding aangesproken arts (c.q. het tot schadevergoeding aangesproken ziekenhuis) kan in zo’n geval worden verlangd dat deze voldoende feitelijke gegevens verschaft ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de patiënt, teneinde aan de patiënt aanknopingspunten te verschaffen voor een eventuele bewijslevering [77] . Een dergelijke bewijsregel − beter: regel over de eisen aan de stelplicht − kan ook worden aangenomen ten behoeve van een slachtoffer van foltering. Indien de Hoge Raad aan dit middelonderdeel toekomt en met deze gedachte meegaat, zou de klacht in zoverre slagen.
onder bhoudt in dat in het licht van de onder a - l opgesomde feiten en omstandigheden, in samenhang met de feiten die het hof heeft vastgesteld, onbegrijpelijk is op welke grond het hof in rov. 3.5 tot zijn oordeel is gekomen dat de gestelde betrokkenheid van de V.S. bij de foltering in Pakistan onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Volgens de toelichting wijzen alle aangedragen feiten en omstandigheden op betrokkenheid van functionarissen van de V.S. bij de foltering. In rov. 3.7 gaat het hof zelf ervan uit dat de foltering is bewerkstelligd door functionarissen van de V.S.
klacht onder akeert zich tegen het oordeel (in rov. 3.6 van het tussenarrest) dat het beroep van de opgeëiste persoon op het arrest El-Masri in dit geval niet opgaat, nu dat arrest slechts betrekking heeft op de vraag onder welke omstandigheden een verdragsstaat onderzoek moet doen naar folterpraktijken
van zijn eigen functionarissen. De rechtsklacht houdt in dat het hof heeft miskend dat het arrest inzake El-Masri een bredere strekking heeft: het arrest van het EHRM had óók betrekking op foltering door een buitenlandse mogendheid, ten aanzien waarvan aan de Republiek Macedonië een schending van art. 3 EVRM Pro kon worden verweten. De
klacht onder bsluit hierbij aan met een algemeen geformuleerde motiveringsklacht.
affirmanti incumbit probatio [78] . The Court reiterates its case-law under Articles 2 and 3 of the Convention to the effect that where the events in issue lie within the exclusive knowledge of the authorities, as in the case of persons under their control in custody, strong presumptions of fact will arise in respect of injuries and death occurring during that detention. The burden of proof in such a case may be regarded as resting on the authorities to provide a satisfactory and convincing explanation (see Çakıcı v. Turkey [GC], no. 23657/94, § 85, ECHR 1999-IV; Salman v. Turkey [GC], no. 21986/93, § 100, ECHR 2000-VII; and Rupa v. Romania (no. 1), no. 58478/00, § 97, 16 December 2008). In the absence of such explanation the Court can draw inferences which may be unfavourable for the respondent Government (see Orhan v. Turkey, no. 25656/94, § 274, 18 June 2002).
arguable claim’ [79] heeft dat jegens hem een schending van art. 3 EVRM Pro is begaan door
“agents of the state”, de EVRM-verdragsstaat die het aangaat zorg moet dragen voor een officieel en effectief onderzoek naar die schending. De eisen die het EHRM aan een dergelijk onderzoek stelt, zijn in alinea 2.8 hiervoor besproken. Anders dan in het geval van El-Masri, waar de beweerde schending gedeeltelijk op Macedonisch grondgebied zou hebben plaatsgevonden door functionarissen van een buitenlandse mogendheid met medewerking of medeweten (stilzwijgende goedkeuring) van Macedonische autoriteiten, is in dit geding nooit beweerd dat de opgeëiste persoon zou zijn gefolterd in Nederland, door personeel of anderszins door toedoen van de Nederlandse overheid. Op het arrest El-Masri kan de onderzoeksplicht van de Staat dus niet worden gebaseerd: het hof oordeelde in gelijke zin (zie rov. 3.6 van het tussenarrest).
‘reasonable steps to avoid a risk of ill-treatment about which they know or ought to have known’in de zin van het EHRM in El-Masri?” [80] . De klacht gaat m.i. eraan voorbij dat de onderzoeksplicht van een verdragsstaat naar reeds ondergane folteringen samenhangt met de rechtsmacht van die staat. Indien Nederland geen rechtsmacht heeft ten aanzien van een in Pakistan door de I.S.I. begane foltering noch ten aanzien van de eventuele betrokkenheid van functionarissen van de V.S. daarbij, rust op de Nederlandse Staat niet een onderzoeksplicht ingevolge het arrest inzake El-Masri. Daarvan moet worden onderscheiden dat de aangezochte staat, op grond van art. 3 van Pro het Verdrag tegen foltering, onderzoekt of er bij inwilliging van het uitleveringsverzoek een risico bestaat van een toekomstige foltering; zie alinea 2.4 hiervoor. De slotsom is dat de klachten onder a en b geen doel treffen.
klacht onder cis subsidiair voorgedragen, ongeacht de uitleg van het arrest van het EHRM inzake El-Masri. Indien het hof van oordeel is dat uit het EVRM
überhauptgeen plicht voor de Staat voortvloeit om na te gaan of de V.S. de Pakistaanse autoriteiten hebben verzocht om de opgeëiste persoon aan te houden, acht het middel dat oordeel onjuist althans onbegrijpelijk, omdat een plicht tot onderzoek voortvloeit uit het EVRM. Deze klacht faalt. Het hof heeft niet miskend dat uit art. 3 EVRM Pro een verplichting voortvloeit tot onderzoek wanneer er sprake is van een
arguable claimdat functionarissen van een EVRM-verdragsstaat zich schuldig hebben gemaakt aan foltering of de foltering heeft plaatsgevonden op het gebied waarover een EVRM-verdragsstaat rechtsmacht uitoefent. Voor het overige geldt hetzelfde als hiervoor opgemerkt.