Conclusie
[verzoeker]) en verweerster in cassatie (hierna:
[verweerster]) hebben een langlopend geschil over de afwikkeling van hun contractuele relatie. [1] In wat wordt aangeduid als de ‘bodemprocedure’ heeft het gerechtshof Amsterdam op 19 december 2017 geoordeeld dat [verweerster] tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en [verweerster] veroordeeld tot vergoeding van de door [verzoeker] geleden schade, nader op te maken bij staat. [2] Zowel [verweerster] als [verzoeker] hebben cassatieberoep ingesteld, [3] [verzoeker] mede tegen een herstelarrest van 15 maart 2018. [4] Die procedures lopen gelijk op. [5] De onderhavige zaak speelt tegen de achtergrond van de bodemprocedure, maar vertoont daarmee niet een direct juridisch-inhoudelijk verband. Het gaat in deze zaak uitsluitend om de uitleg van het inzagerecht als bedoeld in art. 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens. Ik zie geen beletsel om deze zaak eerder te beslissen.
margin callhad gedaan, omdat het saldo op de rekeningen van [verzoeker] volgens haar te laag was ten opzichte van de ingenomen posities. Op 19 september 2008 is [verweerster] overgegaan tot liquidatie van de effectenportefeuille van [verzoeker] . Bij brief van 3 oktober 2008 heeft zij [verzoeker] hierover geïnformeerd, hem medegedeeld dat op zijn beleggingsrekening een debetstand van ruim € 4,5 miljoen was ontstaan en hem verzocht dit bedrag aan te zuiveren.
Wbp) een verzoek ingediend tot het verschaffen van:
AP), het bestuursorgaan dat toezicht houdt op de naleving van de Wbp. Bij primair besluit van 7 september 2016 heeft de AP het verzoek afgewezen. [verzoeker] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.Procesverloop
de rechtbank) en, na aanvulling van zijn verzoek op 19 september 2016, de rechtbank verzocht om [verweerster] te veroordelen zijn advocaat in het bezit te stellen van: [13]
“een document uit april 2006 (…) waarin wordt beschreven dat deze rekening gebruikt gaat worden voor optie- en futuretransacties alsmede (buitenlandse) aandelen”, en:
“een interessant memo (...) inzake de AO/IC terzake de transacties van [verzoeker] [waarin] ook de systematiek en berekeningswijze van de spanlimiet terug [is] te vinden.”; en
het hof), dat bij beschikking van 31 oktober 2017 de beschikking van de rechtbank heeft vernietigd. [17] Opnieuw beschikkende heeft het hof [verweerster] bevolen om binnen vier weken na datum van de beschikking op straffe van een dwangsom aan [verzoeker] ter beschikking te stellen “
een (afgeschermd) afschrift van het forensisch rapport in zodanige vorm dat hij zijn daarin vermelde persoonsgegevens kan controleren” . Het hof heeft al het meer of anders door [verzoeker] verzochte afgewezen.
57. Hoewel richtlijn 95/46 de lidstaten (...) verplicht te waarborgen dat iedere betrokkene van de voor de verwerking van persoonsgegevens verantwoordelijke verstrekking kan verkrijgen van alle hem betreffende gegevens van deze aard die deze verantwoordelijke verwerkt, laat zij het aan de lidstaten over om te bepalen welke concrete materiële vorm die verstrekking moet krijgen, mits deze „begrijpelijk” is. Dat wil zeggen dat de betrokkene daardoor in staat wordt gesteld kennis te nemen van die gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met deze richtlijn, opdat die betrokkene eventueel de hem bij de artikelen 12, sub b en c, 14, 22 en 23 daarvan verleende rechten kan uitoefenen (...).
3.Het recht op inzage in persoonsgegevens: juridische context
Handvest) bepaalt:
Richtlijn 95/46), vaak aangeduid als ‘Privacyrichtlijn’, bevat regels inzake de bescherming van persoonsgegevens. [23] Art. 1 luidt Pro:
Recht op toegang
Gedragscode). [34]
UAVG) in werking getreden en is de Wbp ingetrokken. [39] Op verzoeken ex art. 46 Wbp Pro die vóór 25 mei 2018 bij de rechter zijn ingediend, zoals het geval is met het verzoek van [verzoeker] , is het recht van toepassing zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de UAVG. [40]
kennisnemingvan persoonsgegevens. De term ‘kennisnemingsrecht’ wordt wel gebruikt, [41] maar is niet echt ingeburgerd. De Europese wetgever gebruikt in de richtlijn de term ‘recht op toegang’ en nu in de AVG, in navolging van art. 8 lid 2 Handvest Pro, de term ‘recht van inzage’. Ik gebruik hierna de term ‘inzagerecht’ omdat die term het meest is ingeburgerd.
Dexiaen
HBU [44] en anderzijds het arrest van het HvJEU van 17 juli 2014 met betrekking tot de Nederlandse asielprocedure (hierna:
IND-arrest). [45]
vaakzal kunnen – en zo nodig op aanwijzing van de rechter zal moeten – gebeuren door het verstrekken van afschriften, kopieën of uittreksels, niet een einde hebben gemaakt aan de voordien bestaande meningsverschillen over de vraag of de verantwoordelijke nu inderdaad kan volstaan met het verstrekken van een overzicht of dat hij een afschrift, een kopie of een uittreksel moet verstrekken.
IND-arrest van het HvJEU enige duidelijkheid.
Rijkeboer, EU:C:2009:293, punten 51 en 52).
persoonsgegevens; het strekt zich niet uit tot andere informatie. Voor zover in het originele document waarop het inzageverzoek is gericht andere informatie dan de betrokkene betreffende persoonsgegevens is opgenomen, kan deze informatie
onleesbaarworden gemaakt. Deze benadering betekent dat alleen inzage hoeft te worden gegeven in de verwerkte persoonsgegevens en dat de rest van het betrokken document zwart gemaakt kan worden, zo lang de wèl verstrekte informatie ‘begrijpelijk’ is. De betrokkene moet immers in staat worden gesteld na te gaan of de hem betreffende persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt (zie punt 57). Wanneer die controle op juistheid en rechtmatigheid mogelijk is op andere wijze dan door het verkrijgen van een afschrift dan heeft de betrokkene geen recht op een afschrift (punt 58).
IND-arrest heeft nogal wat commentaren uitgelokt. [53] Enkele auteurs zijn van mening dat het HvJEU een te restrictieve lijn heeft aangehouden doordat het een enge uitleg geeft van het begrip ‘persoonsgegevens’ en het verstrekken van een afschrift niet standaard voorschrijft. [54] Overkleeft-Verburg wijst erop dat
IND-arrest gevolgen heeft voor de rechtspraak over de vraag wanneer interne memo’s van de verantwoordelijke onder het inzagerecht vallen. In de beschikkingen van 29 juni 2007 heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat interne memo’s die de persoonlijke gedachten van medewerkers bevatten, in beginsel geen onderdeel zijn van een ‘bestand’ en om die reden buiten de reikwijdte van het recht van inzage vallen: [59]
als categoriebuiten de reikwijdte van art. 35 Wbp Pro geplaatst. Hij heeft wel interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers bevatten en die uitsluitend zijn bedoeld voor intern overleg en beraad, van toepassing van het inzagerecht uitgezonderd op de grond, naar het mij voorkomt, dat dergelijke persoonlijke opvattingen niet zijn aan te merken als persoonsgegevens.
kanworden gegeven door verstrekking van een kopie of afschrift. Als er een alternatieve wijze is om inzage te verstrekken, zoals het verschaffen van een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens, dan volstaat dat. De vorm waarop inzage in persoonsgegevens moet worden gegeven hangt daarom af van de omstandigheden.
Dexia-beschikkingen van 29 juni 2007 ging de Hoge Raad daar niet in mee (mijn onderstreping):
Aan een op art. 35 Wbp Pro gebaseerd verzoek, waarvoor zoals hiervoor is overwogen geen bijzondere redenen behoeven te worden opgegeven, ligt in het algemeen en ook in een geval als het onderhavige waarin moet worden aangenomen dat geen sprake is van misbruik van recht, een rechtmatig belang ten grondslag. Voorts is het door Dexia aangevoerde feit dat [verweerder] uit de door Dexia verstrekte stukken informatie kan destilleren die voor hem van nut kan zijn in een procedure, onvoldoende om aan te nemen dat op grond van gewichtige redenen als bedoeld in art. 843a Rv. de verstrekking van de door [verweerder] verzochte informatie achterwege dient te blijven. (…)”
Waterlandziekenhuis)heeft uw Raad bevestigd dat art. 843a Rv en art. 35 Wbp Pro elk een eigen toepassingsgebied hebben (rov. 3.3.2). Art. 843a Rv is geen
lex specialisten opzichte van art. 35 Wbp Pro maar omgekeerd brengt een beroep op art. 35 Wbp Pro niet als zodanig met zich mee dat een op art. 843a Rv gebaseerde vordering gegrond is.
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
onderdeel Iprobeert [verzoeker] uw Raad te verleiden de beschikkingen van 29 juni 2007 nader te preciseren in de richting dat de verantwoordelijke ‘ruimhartiger’ moet zijn dan [verweerster] van het hof moest zijn. Deze klacht, waar nogal wat inleidende beschouwingen aan voorafgaan, lees ik zo dat, áls er een afschrift wordt verstrekt, dit niet een ‘afgeschermd’ afschrift mag zijn, omdat betrokkene daar te weinig aan zou hebben. De kwestie óf recht op een afschrift, kopie of uittreksel van het originele document bestaat, wordt door het middel niet aan de orde gesteld. In
onderdeel Vwordt een vergelijkbare klacht geformuleerd, nu echter toegespitst op interne documenten. Het hof zou ten onrechte hebben geoordeeld dat interne documenten ‘categorisch’ van inzage zijn uitgesloten.
integraalin afschrift moeten ontvangen, tenzij de verantwoordelijke aantoont dat zich op een van de in art. 43 Wbp Pro genoemde uitzonderingsgronden kan beroepen. Naar mijn mening vindt een dergelijke benadering geen steun in het recht. Ik acht het evenmin wenselijk dat het recht zich in die richting zou ontwikkelen. Dat laatste zou m.i. ook niet goed denkbaar zijn zonder daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJEU.
2.5-2.8). Slechts indien sprake is van
“een gewichtige reden”, bijvoorbeeld omdat de belangen van derden dat vergen zoals bedoeld in art. 43, aanhef en onder e, Wbp, kan verstrekking van bepaalde gegevens c.q. het geven van inzage in specifieke passages achterwege blijven (zie
2.1). Daarbij is het aan de verantwoordelijke, in dit geval [verweerster] , om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat en in hoeverre zich een ‘gewichtige reden’ voordoet (zie
2.13-2.15). Het hof is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting omtrent de materiële reikwijdte van het inzagerecht ten aanzien van – in dit geval – het forensisch rapport, door [verzoeker] slechts aanspraak toe te kennen op een afgeschermde versie daarvan, waarbij aan de verantwoordelijke zelf wordt overgelaten om een en ander te redigeren (zie
2.22-2.26). Naast deze rechtsklachten komt het middel op tegen het ontbreken van een deugdelijke motivering waarom een ‘voor-geredigeerd’ c.q. ‘afgeschermd’ exemplaar van het forensisch rapport volstaat om recht te doen aan de doelstellingen van het inzagerecht (zie
2.26).
IND-arrest past in die lijn. Het HvJEU overweegt dat de betrokkene geen recht heeft op een afschrift op het moment dat (
“voor zover”) het mogelijk is op een andere manier de doelstelling van het inzagerecht te bereiken, bijvoorbeeld door een volledig overzicht (zie hiervoor, 3.26 en 3.27).
moetworden verstrekt van het forensisch rapport dat [verweerster] heeft laten opstellen. Het afschrift heeft [verzoeker] al binnen. Waar hij zich tegen keert is dat dit volgens het hof een “(afgeschermd) afschrift” mocht zijn. Ook als we de haken, die als zo vaak voor enige dubbelzinnigheid zorgen, wegdenken is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Ik verwijs met name naar het slot van punt 58 van het
IND-arrest:
in persoonsgegevensmoet worden beperkt. De weigering inzage te geven in andere informatie dan persoonsgegevens behoeft niet te worden gestoeld op een van die gronden. De reden waarom toegang tot die andere informatie wordt geweigerd is dat die informatie buiten de reikwijdte van het recht van inzage valt. [68]
dat de betrokkene kan controleren of zijn persoonsgegevens juist en rechtmatig worden verwerkt.” [69] Anders dan het onderdeel aanvoert, doet zich ook in die situatie niet zonder meer de noodzaak voor dat de betrokkene de mogelijkheid krijgt
integraalvan een stuk kennis te nemen. Of dat noodzakelijk is, zal afhangen van de omstandigheden van het concrete geval (zie hiervoor, 3.23 en 3.35). Het hof heeft dat niet miskend. Het
heeftonderkend dat zich gevallen
kunnenvoordoen waarin betrokkene wél integraal kennis moet kunnen nemen van een document dat persoonsgegevens bevat. Dat laatste is “
in dit geval” (te weten: het verzoek van [verzoeker] om het forensisch rapport integraal te ontvangen) niet noodzakelijk; zie rov. 12. Daarmee heeft het hof een juist, althans niet een onbegrijpelijk, oordeel gegeven.
3.4-3.6) en falen om dezelfde reden als waarom onderdeel I faalt. Dat in de
Dexia-beschikkingen is uitgemaakt dat de betrokkene geen andere redenen hoeft op te geven voor het verzoek om inzage (zie
3.5) leidt niet tot een ander oordeel.
3.4een aparte motiveringsklacht moet worden gelezen, kan die klacht evenmin slagen. Het hof heeft m.i. in rov. 16 geoordeeld dat bij het door [verweerster] verstrekte overzicht (bedoeld is kennelijk het overzicht bij de e-mail van 14 augustus 2017) als bijlage is gevoegd de eerste en de laatste pagina van alle
reeds verstrekte rekeningoverzichten. Met andere woorden: de eerste en de laatste pagina van die rekeningoverzichten zijn als bijlage bij dat door [verweerster] verstrekte overzicht gevoegd – de rekeningoverzichten
zelfzijn kennelijk al eerder verstrekt. De motiveringsklacht ziet eraan voorbij dat het hof zijn oordeel baseert op het feit dat de rekeningoverzichten reeds zijn verstrekt.
3.7-3.8)mist feitelijke grondslag omdat het hof in rov. 16 niet een beslissing heeft genomen omtrent de toepasselijkheid van een van de uitzonderingsgronden van art. 43 Wpb Pro.
4.3). Die falen om de dezelfde redenen als waarom onderdeel I en onderdeel II niet kunnen slagen.
4.4). M.i. gaat [verzoeker] ook hier er ten onrechte van uit dat de betrokkene steeds recht heeft op verstrekking van integrale documenten. Gelet op dit onjuiste uitgangspunt hoeft de klacht met betrekking tot de vermeende stelplicht die het hof aan [verzoeker] zou hebben opgelegd, geen behandeling.
4.4). Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het aangevochten oordeel van het hof houdt in dat de betrokkene moet motiveren waarom informatie die aan hem
isverstrekt, niet voldoet aan de door art. 35 Wbp Pro gestelde eisen.
4.5).
tardief was c.q. in strijd met de twee-conclusieregel in hoger beroep.” (zie
5.3).
Dexia-beschikking (zie hiervoor 3.32).
6.5 en 6.6).
gestructureerd geheel van persoonsgegevens” in de zin van art. 1 onder Pro c, Wpb.
per definitie buiten het bereik van het inzagerecht vallen.”(zie
6.4). Volgens het onderdeel zou het
“uiterst ongewenste effect” van deze rechtsopvatting zijn dat “
als de verantwoordelijke alleen maar stélt dat een bepaald document persoonlijke gedachten van medewerkers bevat die zijn bedoeld voor intern overleg en beraad, de betrokkene direct met lege handen komt te staan.” (zie
6.9). Daaraan voegt het onderdeel nog toe dat dat het hof ten onrechte zou zijn uitgegaan van een alles-of-niets benadering. Het moet ook mogelijk zijn de verantwoordelijke te gelasten het document te verstrekken met daarin uitsluitend de persoonlijke gedachten van medewerkers onzichtbaar gemaakt, “
een en ander uiteraard mits eerst aan het vereiste van gewichtige redenen is voldaan.” (zie
6.1).
nietomdat zij zijn opgenomen in een als interne notitie geclassificeerd document maar omdat zij als zodanig geen persoonsgegevens vormen (zie hiervoor 3.31-3.35). Anders dan het onderdeel tot uitgangspunt neemt, gaat het daarbij niet om het buiten toepassing laten van het inzagerecht op grond van gewichtige redenen (art. 43 Wbp Pro).
gedeeltelijke inzagehad moeten worden gegeven. Zelf heb ik die stelling c.q. dat verzoek ook niet in de gedingstukken in feitelijke instanties mogen aantreffen. [verzoeker] kon deze stelling niet voor het eerst in cassatie aanvoeren, wat er verder ook zij van de eventuele merites van deze stelling.
6.7en
6.8.
6.7klaagt [verzoeker] dat een instructie van de auditfunctionaris moet zijn opgenomen in de systemen en de interne controle van de bank. Naar ik aanneem bedoelt [verzoeker] hiermee dat een dergelijke instructie is opgenomen in een bestand in de zin van art. 1 onder Pro c, Wpb. Aan [verzoeker] kan worden toegegeven dat de Hoge Raad in rov. 3.14 van de
Dexia-beschikkingen een onderscheid voor ogen lijkt te hebben gehad tussen een interne notitie met persoonsgegevens die is opgeslagen in een bestand en een interne notitie die persoonlijke beleidsopvattingen betreft van medewerkers ten behoeve van intern beraad en waarvan de Hoge Raad het niet vanzelfsprekend vindt dat die ook zijn opgenomen in een bestand (zie hiervoor, 3.32).
in de systemen en interne controle van de instelling”. De gedingstukken in hoger beroep bevatten op dit punt geen aanvulling. Het hof kan daarom niet worden verweten dit een en ander te hebben miskend. De tweede reden waarom de klacht faalt is een inhoudelijke reden: anders dan de klacht naar mijn indruk wil doen voorkomen kan niet ieder geautomatiseerd systeem binnen (de bedrijfsprocessen van) een bank worden aangemerkt als een ‘bestand’ in de zin van art. 1 onder Pro c, Wbp. [72] Bij dat kaatste moet het gaan om een
bestand van persoonsgegevensdat bovendien betrekking moet hebben op verschillende personen. [verzoeker] heeft niets gesteld waaruit blijkt dat aan die voorwaarde is voldaan.
onder 6.8richt zich tegen de zinsnede in rov. 15 waar het hof het memo van de Interne Audit Dienst van [verweerster] aanduidt als
“een algemeen intern memo”. De aan deze kwalificatie verbonden conclusie dat het hier een document betreft “
waarin persoonlijke gedachten van medewerkers zijn neergelegd”, zou onbegrijpelijk zijn gemotiveerd. De klacht slaagt niet. Zoals het hof met zo veel woorden overweegt, is de term ‘algemeen intern memo’ afkomstig uit het door [verweerster] aan (de advocaat van) [verzoeker] verstrekte overzicht van persoonsgegevens, onder 3. [73] Daar komt bij dat, ook al is het juist dat interne memo’s niet categorisch van inzage op de voet van art. 35 Wbp Pro zijn uitgesloten (zie hiervoor 3.31 e.v.), het hof er terecht van heeft mogen uitgaan dat het memo in kwestie persoonlijke opvattingen van de opsteller daarvan bevatte. [verzoeker] heeft dat niet bestreden. Het memo c.q. de instructie kon dus in elk geval
niet integraalaan [verzoeker] worden verstrekt, terwijl dat nu juist wel is wat [verzoeker] het hof had verzocht. [74]
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
eerste gedeelte van rov. 7oordeelt het hof dat het belang van [verzoeker] bij zijn verzoek is gegeven en dat ook als het [verzoeker] er tevens om te doen zou zijn gegevens te verkrijgen om die in een gerechtelijke procedure te gebruiken, dit ontoereikend is om aan te nemen dat hij van zijn inzagerecht misbruik maakt. [verweerster] klaagt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft miskend dat het inzagerecht zich leent voor misbruik van recht én dat daarvan sprake is “
als het inzagerecht wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is verleend (namelijk het controleren van juiste en rechtmatige verwerking van persoonsgegevens)” (zie punt
5.2.2 van het verweerschrift in cassatie). [75] Volgens [verweerster] is onvoldoende dat een inzageverzoek het controlebelang waartoe het inzagerecht is gegeven, kán dienen. Maatgevend is welk belang degene die de bevoegdheid inroept, in werkelijkheid beoogt te dienen (zie
5.2.3). Aansluitend klaagt [verweerster] over de motivering van het oordeel van het hof dat niet kan worden geoordeeld dat [verzoeker] zijn inzagerecht uitoefent met een ander doel dan waarvoor het is verleend (zie
5.2.4).
mogelijk tevensgelegen is (geweest) in het verkrijgen van informatie om deze te gebruiken in een gerechtelijke procedure
ontoereikendis om aan te nemen dat hij zijn bevoegdheid misbruikt.
Onder deze omstandighedenkan volgens het hof niet worden geoordeeld dat [verzoeker] zijn recht uitoefent voor een ander doel waarvoor het is verleend. In zoverre berust de rechtsklacht op een onjuiste lezing van de aangevallen rov. 7. Met andere woorden, misbruik is niet uitgesloten maar deed zich hier niet voor. Dat oordeel is juist.
tweede gedeelte van rov. 7heeft het hof het door [verweerster] gevoerde verweer dat toewijzing van het verzoek van [verzoeker] een ‘buitengewone inspanning en administratieve last’ van haar zou vergen verworpen, omdat – samengevat – dit belang niet kan opwegen tegen het belang dat [verzoeker] heeft bij de uitoefening van zijn inzagerecht. Bovendien heeft [verweerster] niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de met het voldoen aan het verzoek gemoeide administratieve lasten zodanig disproportioneel zouden zijn dat zij in haar rechten en vrijheden wordt aangetast. [verweerster] klaagt (a) dat het hof haar beroep op administratieve lasten ten onrechte heeft verengd tot een beroep op art. 43 onder Pro e, Wbp en “
zo nodig met toepassing van art. 25 Rv Pro” had moeten oordelen dat [verzoeker] misbruik maakt van zijn inzagerecht, en (b) dat het hof om tot een juiste belangenafweging te komen een aantal door [verweerster] naar eigen zeggen aangevoerde omstandigheden in zijn oordeel had moeten betrekken (zie
5.2.5 en 5.2.6).
HBU-beschikking van 29 juni 2007
5.3.2);
5.3.3);
5.3.4);
5.3.5);
5.3.6).
legal professional privilegebiedt bescherming van met name adviezen van een advocaat aan zijn of haar cliënt, maar is niet van toepassing als de cliënt bepaalde door hem zelf of in zijn opdracht gegenereerde informatie bij een extern advocaat ‘parkeert’. Tot slot heeft het hof niet geoordeeld dat de advocaat van [verweerster] was opgetreden als ‘verwerker’.
5.4.1).