ECLI:NL:PHR:2007:BA7923
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van witwassen van eigen misdrijf en verwerpt verweren verdachte
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Hof Amsterdam, waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van oplichting, het maken van een gewoonte van witwassen en deelname aan een criminele organisatie. Het hof stelde vast dat verdachte en zijn mededaders gedurende 2003 meer dan 1,6 miljoen euro witwasten, afkomstig uit oplichting en valsheid in geschrifte.
Verdachte stelde onder meer dat het enkel voorhanden hebben van geld dat uit eigen misdrijf afkomstig is, niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en dat hij niet zelf witwashandelingen heeft verricht. De Hoge Raad oordeelde dat de wetsgeschiedenis en tekst van art. 420bis Sr duidelijk maken dat ook het voorhanden hebben van opbrengsten uit eigen misdrijf strafbaar is als witwassen. De heler-steler-regel is niet van toepassing op witwassen.
Verder verwierp de Hoge Raad het verweer dat stemherkenning als bewijs onbruikbaar zou zijn en dat de verklaringen van een medeverdachte niet betrouwbaar zijn. Het hof had deze verweren terecht niet als uitdrukkelijk onderbouwde standpunten in de zin van art. 359 lid 2 Sv Pro aangemerkt. De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot vier jaar gevangenisstraf voor medeplegen van oplichting, witwassen en deelname aan een criminele organisatie.