ECLI:NL:PHR:2008:BC0386
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vaststelling partneralimentatie en weigert wijziging wegens onvoldoende wijziging omstandigheden
Partijen zijn in 1972 gehuwd en in 2001 gescheiden waarbij de man partneralimentatie aan de vrouw moest betalen. Het hof stelde in 2001 de alimentatie vast op een bedrag dat later door wettelijke indexering werd verhoogd. De vrouw vroeg verhoging van de alimentatie wegens medische beperkingen, interen op vermogen en studiekosten voor de dochter. De man verzocht om verlaging of nihilstelling vanwege haar eigen inkomsten en vermeend te laag ingeschat vermogen.
De rechtbank wijzigde de alimentatie in 2005 naar beneden, waarna hoger beroep volgde. Het hof stelde in 2007 de alimentatie vast op € 1.440,- per maand, rekening houdend met de behoefte van de vrouw en haar fluctuerende inkomsten uit arbeid en vermogen. De man stelde in cassatie dat het hof onjuist had geoordeeld over de behoefte, de proceshouding en het inkomen van de vrouw, met name over een vermeende koerswinst en het hogere inkomen in 2006.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een ruime mate van beoordelingsvrijheid heeft bij het vaststellen van de behoefte en dat geen sprake is van evidente motiveringsgebreken of rekenfouten. Het hof heeft terecht koerswinsten niet als structurele inkomsten meegeteld en heeft de proceshouding van partijen begrijpelijk meegewogen. Ook is het oordeel over het inkomen van de vrouw niet onbegrijpelijk, mede gelet op het partijdebat en het ontbreken van voldoende bewijs van een structureel hoger inkomen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vaststelling van de alimentatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de vaststelling van de partneralimentatie op € 1.440,- per maand wordt bevestigd.