ECLI:NL:PHR:2008:BD2406
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen onvoorwaardelijke koopovereenkomst bij bespreking tussen moeder en zoon over landerijen
In deze zaak stond centraal of op 28 oktober 2002 tussen moeder en zoon een onvoorwaardelijke koopovereenkomst tot stand was gekomen betreffende de verkoop van landerijen. De rechtbank oordeelde van wel, maar het hof vernietigde dit en wees de vorderingen af, omdat niet was komen vast te staan dat een definitief en volledig aanbod was gedaan en dat de zoon daarop mocht vertrouwen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. Het hof had terecht geoordeeld dat het aanbod niet definitief was vanwege het ontbreken van afspraken over essentiële punten zoals levering, betalingstermijn en zekerheidsstelling. Ook speelde mee dat de moeder zich zorgen maakte over de belangen van haar andere kinderen, waardoor het aanbod niet lichtvaardig als definitief mocht worden aangenomen.
De Hoge Raad ging in op de vraag wat een aanbod inhoudt en welke essentialia een koopovereenkomst van onroerende zaken moet bevatten. Het hof had terecht het feitelijk oordeel geveld dat de wil van de moeder niet gericht was op het doen van een onvoorwaardelijk aanbod en dat de zoon niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat dit wel zo was. De klachten tegen dit oordeel faalden. Daarmee bleef het arrest van het hof in stand en werd de vordering van de zoon afgewezen.
Uitkomst: Er is geen onvoorwaardelijke koopovereenkomst tot stand gekomen, vorderingen worden afgewezen.