ECLI:NL:PHR:2012:BY7670
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende economische verwevenheid voor fiscale eenheid omzetbelasting
Deze zaak betreft de vraag of belanghebbende, een 100%-dochter van een houdstervennootschap, in economisch opzicht voldoende nauw verbonden is met een bestaande fiscale eenheid om daarvan deel uit te maken. De fiscale eenheid bestaat uit de houdstervennootschap en haar twee andere dochters. Belanghebbende levert energie aan winkels en appartementen in hetzelfde winkelcentrum waar ook een supermarkt van de fiscale eenheid is gevestigd. De fiscale eenheid is goed voor circa 22% van belanghebbendes omzet, en zij delen enkele klanten.
De Rechtbank Arnhem oordeelde dat de economische verwevenheid van maximaal 25,3% onvoldoende is om belanghebbende tot de fiscale eenheid te rekenen, ondanks volledige verwevenheid op financieel en organisatorisch vlak. Belanghebbende stelde in cassatie dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie (HvJ) gesteld hadden moeten worden over de uitleg van de btw-richtlijn.
De Advocaat-Generaal concludeert dat de drie verwevenheden (financieel, economisch en organisatorisch) cumulatief en strikt moeten worden toegepast, mede omdat de fiscale eenheid een uitzondering op de hoofdregel is. De economische verwevenheid moet in hoofdzaak bestaan, wat in de jurisprudentie wordt uitgelegd als meer dan 50% en in de praktijk vaak rond 70%. De vastgestelde 25,3% is onvoldoende. Ook is geen prejudiciële vraag aan het HvJ vereist omdat het nationale recht hier voldoende duidelijk is en geen sprake is van acte clair of acte éclairé.
De conclusie is dat het cassatieberoep ongegrond verklaard moet worden en de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; belanghebbende is niet voldoende economisch verweven om deel uit te maken van de fiscale eenheid.