Conclusie
1.Feiten en procesverloop
tuinstrook’(voor de eerste 3 meter uit de kadastrale grens die [eisers] als tuin hebben gebruikt, voor de schutting) en een ‘
groenstrook’(voor het resterende gedeelte daarvan, achter de schutting). [8]
primair, een verklaring voor recht dat de strook grond van 30 bij circa 5,5 meter achter hun percelen eigendom is geworden van [eisers] door verjaring op grond van art. 3:105 BW Pro jo. art. 3:306 BW Pro, alsmede veroordeling van de gemeente tot medewerking aan de inschrijving van die eigendomsverkrijging in de openbare registers en tot betaling van een bedrag van € 7.000,- aan schadevergoeding, en
subsidiairverklaringen voor recht van verkrijging van eigendom van de door ieder van [eisers] gebruikte delen van de groenstrook van 5,5 meter en medewerking van de gemeente tot inschrijving daarvan in de openbare registers.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onjuiste maatstafte hebben aangelegd (vgl. cassatiedagvaarding nr. 4 en 7). Volgens het onderdeel geven de hierna geciteerde, in het middel van nummering en onderstreping voorziene zinsneden blijk van evenzovele onjuiste rechtsopvattingen.
is geweest van bezit van [eisers] (en eventuele rechtsvoorgangers) (i).De vraag of sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:107 e.v. [eisers] moeten de strook grond naar buiten kenbaar ondubbelzinnig hebben gehouden voor zichzelf
met de pretentie daarvan de rechthebbende te zijn (ii).Hun
intentieom het goed voor zichzelf te houden en
het bezit daarvan aan de eigenaar te onttrekken (iii)moet blijken uit uiterlijk waarneembare feiten waaruit naar verkeersopvattingen die intentie kan worden afgeleid. Voor verkrijgen verjaring op de voet van art. 3:105 BW Pro is verder vereist dat de eigenaar gedurende
(meer dan) (iv)twintig jaar geen actie heeft ondernomen tegen
het verlies van zijn bezit van de eigendom (v).
vooropgesteld dat bij onroerende zaken – die men niet van hun plaats kan wegvoeren en waarvan de eigendom is geregistreerd in notariële aktes van levering die bij het kadaster worden ingeschreven – niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende pleegt te worden aangenomen (vi).Dat geldt naar het oordeel van het hof
temeer bij stroken publieke eigendom die grenzen aan percelen die aan privépersonen in eigendom toebehoren (vii).Dat eigenaren of huurders en/of andere gebruikers van belendende privé-percelen gebruik maken van dergelijke stroken grond en/of deze onderhouden ter verhoging van het genot van hun privé-percelen is
niet ongebruikelijk. Enige ondubbelzinnige blijk van enige pretentie van de niet-rechthebbende om de strook grond voor zichzelf te houden en zich deze toe te eigenen, kan daar niet zonder meer in gelegen worden geacht (viii).’
ad i) dat het hof door het gebruik van het voltooid deelwoord ‘is geweest’ in zijn rov. 3.3.2 ten onrechte suggereert dat verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:105 BW Pro vergt dat [eisers] of hun eventuele rechtsvoorgangers bezit hebben
gehad. Die suggestie is volgens het middel niet juist, omdat [eisers] of hun eventuele rechtsvoorgangers ingevolge art. 3:105 BW Pro bezitter moeten
zijnop het moment dat de verjaringstermijn van art. 3:314 jo Pro. art. 3:306 BW Pro verstrijkt.
‘sprake is geweest van bezit van [eisers] (en eventuele rechtsvoorgangers)’geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daaruit valt niet af te leiden dat het hof miskent dat de eventuele verkrijging door verjaring plaatsvindt ten gunste van degene – [eisers] of een rechtsvoorganger – die het bezit heeft ten tijde van de voltooiing van de extinctieve verjaringstermijn van art. 3:314 BW Pro jo. art. 3:306 BW Pro.
ad ii) dat het hof art. 3:113 BW Pro op een verkeerde wijze heeft toegepast. Volgens art. 3:113 lid 1 BW Pro neemt men een goed in bezit ‘door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen’. Door zijn in rov. 3.3.2 vervatte overweging dat [eisers] de strook grond naar buiten kenbaar ondubbelzinnig moeten hebben gehouden voor zichzelf
‘met de pretentie daarvan de rechthebbende te zijn’, vergt het hof méér dan art. 3:113 BW Pro van [eisers] doet. Art. 3:113 BW Pro zelf stelt deze eis niet. De aan bezit inherente pretentie van rechthebbende wordt niet bepaald door de bedoelingen van degene die zich de feitelijke macht verschaft, maar door de toepassing van art. 3:108 BW Pro, aldus het onderdeel. [34]
ad iii) aan dat het hof in rov. 3.3.2 ten onrechte de eis stelt dat de feitelijke machtsuitoefening gepaard moet zijn gegaan met de vast te stellen
intentieom
het bezit van een goed aan de eigenaar te onttrekken. Het is irrelevant of achter de machtsuitoefening over een zaak de intentie schuilt om de zaak aan de eigenaar te onttrekken, aldus het middel.
ad iv) is gericht tegen de in rov. 3.3.2 vervatte overweging van het hof dat ‘voor verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:105 BW Pro (…) verder [is] vereist dat de eigenaar (meer dan) twintig jaar geen actie heeft ondernomen tegen het verlies van zijn bezit van de eigendom’. De klacht houdt in dat het niet duidelijk is wat het hof voor ogen kan hebben gestaan met de tussen haakjes geplaatste woorden ‘
meer dan’. Indien het hof hiermee heeft gemeend dat in sommige gevallen meer dan twintig jaar geen actie tegen het bezitsverlies moet zijn ondernomen, is dat volgens het middel onjuist.
tenminstetwintig jaar geen actie heeft ondernomen tegen het verlies van zijn bezit. Dat het hof de juiste termijn voor verkrijgende verjaring op grond van art. 3:105 BW Pro heeft gehanteerd, blijkt genoegzaam uit rov. 3.3.5 (‘reeds twintig jaar had geduurd’) en rov. 3.3.6 (‘nog geen twintig jaar is verlopen’).
ad v) dat het hof in de hiervoor bestreden overweging ten onrechte spreekt van ‘
het verlies van zijn bezit van de eigendom’. Wie het bezit van een zaak verliest, verliest niet het bezit van de eigendom van die zaak. Kennelijk bouwt het hof hier voort op zijn onjuiste rechtsopvatting dat bezit een intentie tot onttrekking aan de eigenaar vergt, aldus het middel.
ad vi) op tegen de
‘vooropstelling’(in rov. 3.3.3)
‘dat bij onroerende zaken – die men niet van hun plaats kan wegvoeren en waarvan de eigendom is geregistreerd in notariële aktes van levering die bij het kadaster worden ingeschreven – niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende pleegt te worden aangenomen.’Dit is volgens het middel een onjuist uitgangspunt: steeds, dus ook bij een onroerende zaak, bepaalt art. 3:108 BW Pro en in het bijzonder de verkeersopvatting, of iemand het bezit van de zaak door inbezitneming heeft verkregen.
g [37] (‘pleegt te worden aangenomen’) sanctioneert. Deze vaststelling is niet onbegrijpelijk: in het algemeen geldt dat in de rechtspraak en literatuur hoge eisen worden gesteld aan inbezitneming van onroerende zaken [38] , in ieder geval hogere eisen dan die worden gesteld aan inbezitneming van roerende zaken [39] .
kanof
magworden aangenomen, zou dat uitgangspunt naar mijn mening niet op voorhand verwerpelijk zijn. Aangezien voor de eigendomsverkrijging van onroerende zaken – die naar hun aard niet kunnen worden meegevoerd – in de regel een notariële akte vereist is die – met het oog op de rechtszekerheid in het rechtsverkeer – wordt ingeschreven in de openbare registers, is het niet onjuist om als uitgangspunt te hanteren dat naar verkeersopvatting bij onroerende zaken niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende valt aan te nemen. [40]
ad vii) heeft betrekking op de overweging van het hof (in rov. 3.3.3) dat het hiervoor in alinea 2.10 genoemde uitgangspunt
‘te meer (geldt) bij stroken publieke eigendom die grenzen aan percelen die aan privépersonen in eigendom toebehoren.’
‘Enige ondubbelzinnige blijk van enige pretentie van de niet-rechthebbende om de strook grond voor zichzelf te houden, kan daar niet zonder meer in gelegen worden geacht’,aldus het hof in rov. 3.3.3 van het bestreden arrest. De hiertegen gerichte klacht (
ad viii) zal moeten falen, omdat het hof met zijn hier bedoelde overweging slechts tot uitdrukking heeft willen brengen dat voor inbezitneming meer nodig is dan enkel gebruik of onderhoud van een strook publieke eigendom ter verhoging van het genot van het privéperceel. Of daarvan in dit geval sprake is, heeft het hof beoordeeld in de rov. 3.3.4 e.v. van het bestreden arrest.
nr. 13) heeft het hof zijn oordeel niet gemotiveerd.
nr. 14) dat (in het kader van art. 3:113 BW Pro) rechtens niet relevant is met welke
bedoelingde afscheiding van paaltjes met gaas en draad is aangebracht, vormt een herhaling van de klacht in onderdeel 1 (ad iii) en deelt het lot daarvan. Hetzelfde geldt voor de klacht (
nr. 15) betreffende de overweging van het hof omtrent (categorie 2, bestaande in) het plaatsen – achter de afscheiding, A-G – van de roerende zaken als genoemd in rov. 4.4.1 onder d van het beroepen vonnis (compostbak, kliko, fietsenrek, tegels en houtopslag).
nr. 14)dat het hof niet verduidelijkt waarom het plaatsen van paaltjes met gaas of draad geen bezitsdaad is, faalt om de hiervoor in alinea 2.16 vermelde reden. Hetzelfde geldt voor de motiveringsklacht (
nr. 15) met betrekking tot de overweging van het hof dat het plaatsen van een bepaalde roerende zaken (compostbak, kliko, fietsenrek, tegels en houtopslag) niet is te scharen onder uiterlijk waarneembare gedragingen waaruit naar verkeersopvatting ondubbelzinnig een gaan houden voor zichzelf met onttrekking van bezit aan de gemeente kan worden afgeleid. Het hof heeft zich voor dit oordeel aangesloten bij de beslissing van de rechtbank (rov. 4.5.1); daarmee heeft het hof een op uiterlijke feiten gebaseerde – en in cassatie beperkt toetsbare – invulling gegeven aan hetgeen naar verkeersopvatting geldt als een bezitsdaad.
nr. 16) dat nergens uit blijkt dat het hof zich heeft gerealiseerd dat het (ook) de vraag moest beantwoorden of het plaatsen van roerende zaken
in combinatie metandere handelingen (in het bijzonder: het plaatsen van een omheining) het bezit van de gemeente heeft of kan hebben gebroken, faalt eveneens. Het hof heeft in de rov. 3.3.4 en 3.3.5 van het bestreden arrest alle aangevoerde handelingen – naar moet worden aangenomen ook in onderling verband bezien – in zijn oordeelsvorming betrokken om vervolgens tot de conclusie te komen dat deze niet kunnen worden gekwalificeerd als bezitsdaden.
nr. 17) die zijn gericht tegen het oordeel van het hof met betrekking tot (categorie 3, bestaande in) het plaatsen van een kippenhok, speelhuis voor kinderen en/of een houtopslag, het in privé aanbrengen van beplantingen en het onderhouden daarvan en van de door de gemeente aangebrachte beplanting en het aanbrengen van doorgangen in de afscheiding, falen omdat zij berusten op voorgaande klachten die niet tot cassatie kunnen leiden.
wanneereen kippenhok, speelhuis en houtopslag zijn geplaatst, faalt omdat de plaatsing ervan door het hof niet als een bezitsdaad wordt aangemerkt.
nr. 19) dat het hof in rov. 3.3.4 ten onrechte overweegt dat aan de overgelegde verklaringen van de rechtsvoorgangers van [eisers] , waaruit van de afscheidingen en het gebruik van de strook grond blijkt, geen bewijs kan worden ontleend, zal eveneens moeten falen. Het hof had immers de gestelde afscheidingen en wijzen van gebruik van de litigieuze strook onvoldoende geacht om daaruit inbezitneming te kunnen afleiden. Daarom mocht het hof in rov. 3.4.2 ook het door [eisers] ter zake gedane bewijsaanbod passeren.
Dat neemt echter niet weg dat in dat geval uit het verzoek van [eiser 1] aan de gemeente moet worden geconcludeerd dat hij de desbetreffende strook grond kennelijk niet door zijn rechtsvoorganger in eigendom geleverd heeft gekregen en dat hij deze vervolgens evenmin is gaan houden voor zichzelf. (…)’.
van rechtswegewerkt zodat (i) [eiser 1] , niettegenstaande zijn in een onjuiste veronderstelling gedane koopverzoek, op 5 november 1998 uit hoofde van zijn positie als eigenaar tevens bezitter was en bleef van de strook (nr. 23) en (ii) de gemeente op 5 november 1998 geen eigenaar meer was van de strook zodat haar vorderingen in conventie niet toewijsbaar waren en het vonnis op dit punt niet kon worden bekrachtigd (nr. 25).
onderdeel 5van het middel heeft geen zelfstandige betekenis.