ECLI:NL:PHR:2009:BI1812
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkracht bij oplegging schadevergoedingsmaatregel en vervangende hechtenis
In deze zaak stond de vraag centraal of de draagkracht van de verdachte meegewogen moet worden bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr. De verdachte was veroordeeld voor het kweken van hennep en diefstal van elektriciteit, waarbij een schadevergoeding van € 2.500,- aan Eneco Energie werd opgelegd. De verdediging voerde aan dat de maatregel niet opgelegd moest worden vanwege de geringe draagkracht van de verdachte, die een bijstandsuitkering ontving en ernstige gezondheidsproblemen had.
Het hof stelde dat draagkracht geen rol speelt bij de hoogte van de maatregel en dat het slachtoffer in deze zaak een bedrijf is dat haar vorderingen zelfstandig kan innen. De Hoge Raad bevestigt deze opvatting en verwijst naar literatuur en eerdere jurisprudentie waarin wordt benadrukt dat de maatregel primair gericht is op herstel van de rechtmatige toestand en dat draagkracht slechts in uitzonderlijke gevallen tot afzien kan leiden.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de vervangende hechtenis, die wordt opgelegd bij niet-betaling, ook bij betalingsonmacht uitgevoerd moet worden. Het ontbreken van draagkracht is geen reden om de tenuitvoerlegging van de hechtenis te staken. De Hoge Raad wijst op het belang van een wettelijke regeling die in de executiefase kan beoordelen of tenuitvoerlegging van de hechtenis gerechtvaardigd is.
Het middel van cassatie faalt, en het beroep wordt verworpen. De Hoge Raad bevestigt daarmee de rechtspraak dat draagkracht geen doorslaggevende factor is bij het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel en dat de sanctie van vervangende hechtenis strikt moet worden gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat draagkracht geen rol speelt bij de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel en dat vervangende hechtenis bij niet-betaling moet worden uitgevoerd.