ECLI:NL:PHR:2009:BI5627
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over beroep op overmacht bij ongewenstverklaring en verblijf in Nederland
Deze strafzaak betreft een verzoeker afkomstig uit Congo, die in Nederland is veroordeeld wegens foltering en vervolgens ongewenst is verklaard op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. De verzoeker werd vervolgd wegens het in Nederland verblijven terwijl hij wist dat hij ongewenst was verklaard. Hij deed een beroep op overmacht, stellende dat hij Nederland niet kon verlaten omdat er geen ander land was waar hij terecht kon.
Het hof oordeelde dat overmacht pas kan ontstaan indien sprake is van een patstelling waarbij het plegen van het strafbare feit onontkoombaar is. Hoewel de situatie van de verdachte op 9 mei 2006 een patstelling benaderde, was niet vastgesteld dat het plegen van het feit onontkoombaar was. Het hof vond dat de verdachte onvoldoende inspanningen had verricht om aan zijn vertrekplicht te voldoen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat een ongewenst verklaarde vreemdeling verplicht is Nederland te verlaten en dat slechts uitzonderingen gelden indien de vreemdeling buiten zijn schuld niet aan reisdocumenten kan komen. De Hoge Raad wijst erop dat het hof voldoende rekening heeft gehouden met de moeilijke positie van de verdachte en dat het oordeel feitelijk is en niet in cassatie kan worden getoetst.
Ten slotte werd opgemerkt dat de verdachte sinds januari 2008 een geldige verblijfsvergunning in België heeft verkregen, waarmee de patstelling feitelijk is doorbroken. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling wegens het overtreden van de vertrekplicht blijft in stand.