ECLI:NL:PHR:2010:BK7046
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen illegale tewerkstelling
In deze zaak staat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, verkregen door medeplegen van het laten werken van personen die zich wederrechtelijk in Nederland bevinden. Het Hof had het voordeel vastgesteld op €180.136,- en dit bedrag aan de veroordeelde opgelegd ter betaling aan de Staat.
De verdediging voerde onder meer aan dat de redelijke termijn was overschreden en dat de gebruikte branchegegevens (ERBO-gegevens van de Kamer van Koophandel) niet representatief waren voor de omzet- en winstberekening binnen de betrokken bedrijven. Het Hof verwierp deze verweren, onder meer omdat het verweer over de redelijke termijn summier was en het Hof geen aanleiding zag tot matiging van het voordeel wegens het tijdsverloop.
De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van in eerste aanleg overgelegde pleitnotities in hoger beroep niet leidt tot nietigheid van het arrest. Wel acht de Hoge Raad het verweer over de redelijke termijn terecht voorgedragen en overweegt dat het Hof dit nader had moeten motiveren. De Hoge Raad wijst erop dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet louter bestaat uit besparing op premies en loonbelasting, maar in de netto-opbrengst van het inzetten van illegale werknemers. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de hoogte van het terug te betalen bedrag en kan zelf voorzien in matiging daarvan.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de hoogte van het terug te betalen bedrag en kan zelf voorzien in matiging.