ECLI:NL:GHAMS:2009:BI1981
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ongebruikelijke terbeschikkingstelling van kantoorpand door kinderen aan familievennootschap
In deze zaak staat centraal of de terbeschikkingstelling van een kantoorpand door de kinderen van een directeur-grootaandeelhouder aan diens vennootschap als een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling moet worden aangemerkt volgens artikel 3.92, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De vader verkocht het pand aan zijn kinderen, die de koopprijs geheel schuldig bleven en een hypotheekrecht aan hem verleenden. De hypothecaire vordering werd vervolgens overgedragen aan de vennootschap Holding L, die het pand huurt van de kinderen. De huur is zodanig vastgesteld dat na circa 20 jaar de hypothecaire schuld volledig kan worden afgelost, waarna de kinderen het pand onbezwaard bezitten zonder materiële tegenprestatie.
Het hof stelt dat niet alleen de huurrelatie beoordeeld moet worden, maar het gehele complex van rechtsfeiten waaronder de verkrijging en financiering van het pand. Gezien de omstandigheden is sprake van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. De kosten worden niet aan de wederpartij opgelegd.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling.