ECLI:NL:PHR:2010:BL7043
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen belanghebbende voor broer bij uithuisplaatsing van broers en zussen
In deze zaak gaat het om de uithuisplaatsing van meerdere minderjarige kinderen uit een gezin, waarbij de broer van deze kinderen beroep in cassatie instelde tegen de beslissing tot uithuisplaatsing van zijn broers en zussen. De kinderrechter had de kinderen onder toezicht gesteld en Bureau Jeugdzorg gemachtigd tot uithuisplaatsing wegens onvoldoende zekerheid over de opvoedingssituatie. De broer stelde dat hij belanghebbende was bij de uithuisplaatsing van zijn broers en zussen en wilde het besluit aanvechten.
Het hof verklaarde het beroep van de broer niet-ontvankelijk omdat hij geen belanghebbende was in de zin van artikel 798 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en benadrukt dat het gezag over elk minderjarig kind afzonderlijk wordt uitgeoefend en dat de rechten en verplichtingen per kind worden beoordeeld. Dit betekent dat alleen de rechten en plichten die voortvloeien uit het gezag over het betreffende kind relevant zijn in de procedure.
Hoewel de uithuisplaatsing van een kind het gezinsleven van andere minderjarige kinderen raakt, leidt dit niet tot het toekennen van belanghebbendheid aan die andere kinderen bij de beslissing over uithuisplaatsing. De Hoge Raad verwijst daarbij naar het recht op gezinsleven zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM Pro, maar stelt dat dit niet automatisch betekent dat broers en zussen als belanghebbenden kunnen optreden in elkaars uithuisplaatsingszaken.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de broer derhalve niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en bevestigt daarmee de eerdere beslissing van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de broer wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang bij de uithuisplaatsing van zijn broers en zussen.