Conclusie
niet verschenen
degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt’ uitsluitend wordt gedoeld op de pleegouder van de minderjarige, of dat daaronder ook andere ‘niet-ouders’ (zoals de biologische ouder zonder juridisch ouderschap) onder kunnen worden begrepen. Verder is aan de orde het recht op contra-expertise van art. 810a lid 2 Rv. Besproken wordt of dit recht toekomt aan iedere ouder, of dat vereist is dat de ouder door de rechter als belanghebbende in de procedure is aangemerkt.
De zaak heeft samenhang met de zaak waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over het belanghebbende-begrip in jeugdbeschermingszaken. [1]
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel Abevat de klacht dat het hof heeft miskend dat de vader in de procedure met betrekking tot de beëindiging van het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind 1] als belanghebbende dient te worden aangemerkt op grond van art. 798 lid Pro 1,
tweede volzin, Rv, nu hij [kind 1] als
nietouder meer dan één jaar als behorende tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed.
eerste volzin, Rv, nu de zaak rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten en verplichtingen. Uitsluitend voor het geval de klacht in subonderdeel A niet slaagt, klaagt subonderdeel B dat het hof heeft miskend dat de vader in de procedure met betrekking tot de beëindiging van het ouderlijk gezag over [kind 1] als belanghebbende dient te worden aangemerkt op grond van art. 798 lid Pro 1,
eerste volzin, Rv, nu deze zaak eveneens rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten en verplichtingen. In dat verband wordt aangevoerd dat het hof het belang van de vader in deze procedure en bij de uitkomst daarvan heeft miskend. Volgens het subonderdeel zou het hof ook hebben miskend dat art. 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de overheid de positieve verplichting oplegt te bevorderen dat ouders en kinderen worden verenigd respectievelijk verenigd blijven.
beideouders is beëindigd, maar waarbij de grieven van de principaal appellerende ouder slechts zijn of haar eigen gezag betreffen, de andere ouder als belanghebbende (in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro) dient te worden aangemerkt. In mijn conclusie van 2 februari 2018 ben ik (onder 2) uitvoerig ingegaan op het op die zaak toepasselijke juridisch kader, waarna ik (onder 3) de genoemde prejudiciële vraag bevestigend heb beantwoord. [6]
is. De betrokkenheid van een belang van de persoon of instantie moet kunnen worden
geobjectiveerd. In de tweede plaats blijkt dat een
indirect belangniet voldoende is; de zaak moet direct (rechtstreeks) het belang van betrokkene raken. In de derde plaats geldt dat het belang van betrokkene niet hoeft vast te staan; het gaat erom dat dat (rechtstreekse) belang er
kanzijn.
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro én de zaak rechtstreeks betrekking heeft op dat
family life, diegene als belanghebbende wordt aangemerkt. Wanneer sprake is van
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro, zal hierna nog nader worden besproken (zie onder 2.46-2.53).
de toevoeging lijkt bedoeld om nog duidelijker uit te drukken dat onder “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak betrekking heeft” niet ieder valt die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij een zaak te hebben”, zo schrijft de Adviescommissie in haar advies over art. 798 lid 1 Rv Pro. [15] Op dat advies zal hierna nog verder worden ingegaan (zie onder 2.67).
Pleegouders worden in rechtszaken rondom hun pleegkind thans niet altijd als “belanghebbende” in de zin van artikel 798 Rv Pro beschouwd. Hierdoor hebben zij bijvoorbeeld geen wettelijk vastgelegd spreekrecht in procedures voor de rechter. De gezinsvoogd kan dit nu wel aan de rechter verzoeken, maar een dergelijk verzoek wordt niet automatisch toegewezen.
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro met de minderjarige hebben. Gelet op wat hiervoor (onder 2.13) is opgemerkt, kan geconstateerd worden dat de toevoeging van de tweede volzin aan art. 798 lid 1 Rv Pro eigenlijk niet nodig was geweest: wie zich kan beroepen op
family lifeén te maken heeft met een verzoek dat dit
family life rechtstreekstreft
,zal reeds op grond van de eerste volzin van art. 798 lid 1 Rv Pro moeten worden aangemerkt als belanghebbende.
Degene die de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende.’ [21] Deze laatste suggestie zou neerkomen op een verruiming van de strekking van de tweede volzin. Er is nog niets gedaan met deze suggesties, zo bleek mij uit navraag bij het ministerie van Justitie en Veiligheid.
rechtstreekse betrokkenheidgeldt voor de betreffende verzoekschriftprocedures daarmee ook in hoger beroep. Bovendien heeft te gelden dat het begrip ‘belanghebbende’ in de artikelen 798 lid 1 en 806 Rv dezelfde betekenis heeft, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis: [27]
De vraag van de leden van de SGP-fractie of het denkbaar is, en ook feitelijk zou kunnen voorkomen dat een belanghebbende in de zin van artikel 798 dat Pro niet is in de zin van artikel 806, moet ontkennend worden beantwoord. Het begrip «belanghebbende» wordt in artikel 798, eerste lid, gedefinieerd. Het zou afbreuk doen aan de eenduidigheid van de nieuwe regeling, indien dit begrip in deze afdeling verschillende betekenissen zou hebben. In artikel 806 wordt Pro slechts onderscheid gemaakt tussen bekende en onbekende belanghebbenden.”
anderen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn’ (art. 799 lid 1 Rv Pro; zie hierover nader onder 2.26). [29] Het opgestelde overzicht van de Implementatiecommissie is opgenomen in een in 1995 door het Ministerie van Justitie uitgebrachte brochure over het nieuwe familieprocesrecht. [30] Bij verzoekschriften tot ‘ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag’ zijn in deze brochure – in een ‘niet-limitatieve opsomming’ – als belanghebbenden vermeld: [31] - minderjarige,
Voogdijis onder te verdelen in voogdij die wordt uitgeoefend door een of twee personen die niet de juridische ouder(s) van de minderjarige is of zijn, en voogdij die wordt uitgeoefend door een gecertificeerde instelling [47] (doorgaans een Stichting jeugdbescherming) (art. 1:245 lid 2 BW Pro).
eenhoofdigouderlijk gezag bij wege van een jeugdbeschermingsmaatregel. In Afdeling 5 van Titel 14 van Boek I BW zijn hiervoor regels opgenomen. Met de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen per 1 januari 2015 zijn de voorheen geldende maatregelen van ontheffing van en ontzetting uit het gezag [50] samengevoegd tot één nieuwe gezagsbeëindigende maatregel: de beëindiging van het ouderlijk gezag. [51] Hiermee is beoogd de jeugdbeschermingsmaatregelen te vereenvoudigen. Aangezien met de maatregel van gezagsbeëindiging de ouder(s) het gezag geheel wordt ontnomen, is het de meest verstrekkende maatregel van jeugdbescherming. Minder verstrekkende maatregelen zijn ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing; zij behelzen slechts een beperking van het ouderlijk gezag. [52]
gezamenlijkhet gezag uitoefenen, wordt na de beëindiging van het gezag van één van hen, het gezag voortaan door de andere ouder alleen uitgeoefend (art. 1:274 lid 1 BW Pro). In geval van beëindiging van het gezag van een ouder die het gezag
alleenuitoefent, kan de andere ouder de rechtbank te allen tijde verzoeken met de uitoefening van het gezag te worden belast. Dit verzoek wordt ingewilligd indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt (art. 1:274 lid 2 BW Pro). Indien de andere ouder het gezag niet voortaan uitoefent, benoemt de rechtbank een voogd over de minderjarige (art. 1:275 lid 1 BW Pro).
family life) in de zin van art. 8 EVRM Pro van zowel ouder(s) als kind. In de zaak
N.P./Moldavië [56] vatte het EHRM zijn rechtspraak hierover als volgt samen:
relevant and sufficient” waren. Het tweede aspect is of het besluitvormingsproces eerlijk (‘fair’) is geweest en of daarin voldoende rekening is gehouden met door art. 8 EVRM Pro beschermde belangen van betrokkenen (§ 64). [57]
margin of appreciation’). Die beoordelingsvrijheid is echter minder groot (‘
stricter scrutinity’) wanneer het gaat om verdere beperkingen, zoals beperkingen van omgangsrechten. Op zijn minst mag van de bevoegde autoriteiten worden verwacht dat op gezette tijden een herbeoordeling plaatsvindt, zodat bekeken kan worden of er een verbetering van de situatie heeft plaatsgevonden (§ 68).
family life) die niet als noodzakelijk in de zin van art. 8 lid 2 EVRM Pro kan worden beschouwd. [59]
family lifeals bedoeld in art. 8 EVRM Pro en indien deze relatie (het gezinsleven) door de procedure wordt geraakt. [69] Daarmee rijst de vraag wanneer sprake is van
family lifein de zin van art. 8 EVRM Pro. [70] Het antwoord daarop vergt een feitelijke beoordeling en is afhankelijk van het bestaan van nauwe persoonlijke betrekkingen. Het EHRM heeft dit als volgt verwoord: [71]
family lifeniet van doorslaggevend belang is of een ouder al dan niet het gezag heeft over een kind of anderszins als ‘juridische ouder’ moet worden aangemerkt. In de woorden van Bruning: “
Het EHRM gaat heel anders te werk dan de Hoge Raad. De feiten die het EHRM in deze zaak aanstipt als relevant voor het aannemen van familie- en gezinsleven zijn feiten. Het EHRM kijkt niet naar juridische concepten als 'belanghebbende', 'juridisch ouder' of 'gezag', maar naar de vraag of feitelijk invulling wordt gegeven aan family life met het kind.” [72]
family lifeheeft aangemerkt, kunnen ruwweg in drie categorieën worden onderverdeeld: (1) partnerrelaties, (2) relaties tussen volwassenen en kinderen en (3) bredere familie- en andere relaties. [73] Wat betreft de relaties tussen volwassenen en kinderen, zoals in deze zaak aan de orde, geldt het volgende. [74]
family lifeaangenomen. [76] Verder wordt uit het
Marckx-arrest afgeleid dat tussen een (alleenstaande) moeder en haar kind, vanaf het moment van de geboorte en reeds door dat enkele feit, een familie- en gezinsleven bestaat. [77]
family lifeaan te nemen. [78] Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist waaruit de nauwe persoonlijke betrekking met het kind blijkt. Tot de relevante omstandigheden behoort onder meer de aard van de relatie die de vader vóór de geboorte van het kind met de moeder heeft gehad. Indien deze relatie voldoende bestendig was – en in zoverre met een huwelijk valt gelijk te stellen – zal een gezins- en familieleven aangenomen kunnen worden. [79] Het bestaan van
family lifekan ook voortvloeien uit de band die de biologische vader ná de geboorte van het kind met dat kind heeft opgebouwd, bijvoorbeeld door met het kind samen te leven en door het feitelijk op te voeden en te verzorgen. [80] Ook een combinatie van omstandigheden van vóór en na de geboorte van het kind, in onderlinge samenhang en verband bezien, kan ertoe leiden dat tussen de biologische vader en het kind een familie- en gezinsleven aanwezig wordt geacht. [81]
Ahrens/Duitslandoordeelde het EHRM dat geen sprake was van ‘
family life’ tussen de biologische vader en zijn kind. [82] Daarvoor achtte het EHRM redengevend dat de biologische vader én nooit had samengeleefd met de moeder maar slechts een seksuele relatie met haar had gehad, terwijl zij met een andere man samenwoonde, én zich nooit betrokken had getoond bij het kind voor het werd geboren. Anderzijds blijkt uit de zaak
Anayo/Duitslanddat het hebben samengeleefd door de vader met moeder of kind niet onder alle omstandigheden beslissend is voor het hebben van
family life. [83] In deze zaak had de biologische vader al voor de geboorte van de kinderen aan de moeder (vergeefs) om contact gevraagd en kort na hun geboorte via de rechter (zonder succes) om omgang verzocht. De omstandigheid dat de biologische vader zijn kinderen nog nooit had ontmoet, kon hem in dit geval dan ook niet worden tegengeworpen. Hieruit blijkt dat in uitzonderlijke omstandigheden ook
de intentievan de biologische vader om een gezins- en familieleven met zijn kinderen te hebben onder het beschermingsbereik van art. 8 EVRM Pro valt. Dit zal met name het geval zijn wanneer de vader niet verweten kan worden dat eerder nog geen
family lifemet zijn kinderen tot stand is gekomen. [84]
Anayo/Duitslanderop wijst dat ook als geen sprake zou zijn van
family lifetussen vader en kind, de vader zich in het algemeen toch op de bescherming van art. 8 EVRM Pro kan beroepen omdat de familiebanden met zijn kind in ieder geval het
private lifevan de vader raken, dat eveneens valt onder de reikwijdte van art. 8 EVRM Pro. Overwogen wordt het volgende (§ 58): [85]
family lifedan ook in dezelfde positie als biologische ouders. [88] Ook pleeg-, stief- of opvangouders kunnen een gezins- en familieleven hebben met het kind waarover zij zich ontfermen. Of hiervan sprake is zal afhangen van de feitelijke situatie, waarbij de duur van de opvoeding en verzorging, de kwaliteit van hun relatie met het kind en de rol die zij ten opzichte van het kind vervullen van belang zijn. [89] Onder omstandigheden kan ook sprake zijn van een
family lifetussen een kind en zijn grootouders. [90] Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM kan
family lifetussen ouders en meerderjarige kinderen slechts worden aangenomen indien sprake is van, “
additional factors of dependence, other than normal emotional ties”. [91]
family lifete verbreken. [94]
family lifehad met het kind. [97] In een zaak waarin een volwassen vrouw verzocht om gegrondverklaring van haar ontkenning van vaderschap van haar wettige vader, oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte haar zuster als belanghebbende had aangemerkt. [98] De eigen afstammingsrelatie van de zuster werd niet rechtstreeks geraakt door (toe- of afwijzing van) het verzoek, ook al had zij wellicht een afgeleid belang bij het voortbestaan of het verbreken van de afstammingsrelatie tussen verzoekster en hun wettige vader. Ten slotte werd in een zaak waarin de curator op de voet van art. 1:386 jo Pro. art. 1:345 lid 1 aanhef Pro en onder a BW de kantonrechter om machtiging verzocht voor de verkoop van een pand dat eigendom was van een onder bewind gestelde moeder, het oordeel van het hof dat de zoon, die het pand als huurder bewoonde, geen belanghebbende was, onvoldoende gemotiveerd geacht. Daartoe werd overwogen, kort samengevat, dat een dreigende inbreuk op de rechten van de zoon uit de huurverhouding met zijn moeder, hem tot belanghebbende kan maken in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro. [99]
niethad aangemerkt als belanghebbende in de procedure strekkende tot machtiging tot uithuisplaatsing. Overwogen werd dat de procedure een maatregel met betrekking tot het ouderlijk gezag in het kader van een
ondertoezichtstellingbetreft. Dat gezag wordt over elk minderjarig kind afzonderlijk uitgeoefend en ten aanzien van elk kind afzonderlijk moet worden beoordeeld of is voldaan aan de wettelijke criteria die gelden voor toepassing van de maatregel. Er waren in die procedure dan ook zoveel zaken aanhangig als er minderjarige kinderen waren ten aanzien waarvan de uithuisplaatsing was verzocht, zodat elke zaak het gezag over en de uithuisplaatsing van alleen het daarin betrokken kind betrof (rov. 4.3.2). Hieruit volgde volgens de Hoge Raad dat in de zaak van elk minderjarig kind enkel de uit het gezag over dat kind voortvloeiende rechten en verplichtingen van dit kind en van de ouders die het gezag over dit kind uitoefenen dan wel van anderen die dit kind als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden (de pleegouder) zijn betrokken. Daarom kunnen in die zaak slechts als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro worden beschouwd – naast de instellingen en organen die ingevolge art. 1:261 lid 1 BW Pro de uithuisplaatsing kunnen verzoeken – de met het gezag belaste ouder(s), een ander die het minderjarige kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, en het kind zelf, mits dit twaalf jaren of ouder is (rov. 4.3.3). Dat de maatregel van uithuisplaatsing inbreuk zou maken op het
family lifetussen de broer en de uit huis te plaatsen minderjarigen, zoals namens de broer was aangevoerd, deed daar volgens de Hoge Raad niet aan af:
family lifehad met de uit huis te plaatsen kinderen, leidde zij daaruit af dat de broer door de uitkomst van de procedure zodanig in zijn eigen belang kan worden getroffen, dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang.
minderzou beschermen dan een volwassene, moet volgens haar worden aangenomen dat óók de broer rechtstreeks wordt getroffen in een door art. 8 EVRM Pro beschermd recht in een procedure tot uithuisplaatsing. Verder schrijft Forder het volgende:
family lifete hebben met zijn broers en zussen.
family lifemet degene wiens belangen betrokken zijn in de procedure, op zichzelf niet voldoende is om als belanghebbende te worden aangemerkt (zie onder 2.13); het gaat erom of dit
family life– dat immers tot de door art. 798 lid 1 Rv Pro beschermde rechten en verplichtingen behoort –
rechtstreekswordt geraakt door (de beslissing over) het verzoek dat in de procedure wordt beoordeeld. Net als Wesseling-van Gent ben ik van mening dat dat hier het geval was. Het belang van de broer, dus het
family lifedat hij heeft met zijn broertjes en zusjes, werd rechtstreeks geraakt door de uithuisplaatsing van die broertjes en zusjes. Dat dit belang een
rechtstreeksbelang was in de zin van art. 798 lid 1 Rv Pro, is nader te onderbouwen met het argument dat dat belang tevens zijn
eigenbelang was, dat bovendien
persoonlijk,
objectief bepaalbaaren
actueelwas en géén
afgeleid belangwas (de elementen van het zijn van ‘rechtstreeks belanghebbende’ in de zin van art. 1:2 Awb Pro). [104] Met betrekking tot dat ‘afgeleide belang’ is in het bijzonder te wijzen op de in mijn conclusie van 2 februari 2018, onder 2.14, besproken rechtspraak, dat als iemand in een zwaarwegend belang is getroffen, zoals een aan het EVRM ontleend fundamenteel recht, terughoudend moet worden omgegaan met het kwalificeren van dit belang als een ‘afgeleid belang’. [105] De gedachte van annotator Wortmann, dat de broer een ‘afgeleid belang’ had in de betekenis die daaraan in het bestuursprocesrecht wordt toegekend en daarom geen belanghebbende kon zijn, deel ik dan ook niet. [106]
broergeen rechten en verplichtingen kunnen voortvloeien uit een beslissing over het ouderlijk gezag over de broertjes en zusjes, lijkt mij eraan voorbij te gaan dat het recht op
family lifezélf tot de bedoelde ‘rechten en verplichtingen behoort’ en dat dit recht bovendien
geraaktwordt door een beslissing over het ouderlijk gezag. Nu bij kinderbeschermingsmaatregelen altijd het belang van het betrokken kind (in deze zaak: de uit huis te plaatsen broertjes en zusjes) voorop dient te staan, had ook met het oog op de bescherming van hún
family life, die broer in het besluitvormingsproces moeten worden betrokken. Ook het IVRK vraagt om het centraal stellen van het belang van het kind (zie onder 2.54).
N.P./Moldavië, zie onder 2.41), lijdt het naar mijn mening geen twijfel dat (in ieder geval) een ouder die
family lifeheeft met het kind,
daardoorrecht heeft om betrokken te worden in het besluitvormingsproces over het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen. De impliciete veronderstelling is hierbij dat een kinderbeschermingsmaatregel altijd (ook) het belang raakt van de ouder die
family lifeheeft met het kind.
family lifetussen ouder en kind, en dat óók een ouder zonder gezag
family lifekan hebben (zie onder 2.46-2.52), betekent dit naar mijn mening dat als een ouder zonder gezag zich kan beroepen op
family lifemet de minderjarige én dat
family lifedoor de kinderbeschermingsmaatregel wordt geraakt
,hij als belanghebbende in een procedure over die kinderbeschermingsmaatregel, zoals uithuisplaatsing, moet worden aangemerkt. Ook annotator Wortmann is dit standpunt toegedaan, zij het dat zij de kwalificatie van het zijn van belanghebbende beperkt tot de ouder zonder gezag, die het kind mede verzorgt en opvoedt. [109] Gezien het feit dat de rechtspraak van het EHRM niet inhoudt dat voor het hebben van
family life door een ouder met zijn kind steeds vereist is dat die ouder het kind mede verzorgt en opvoedt, vraag ik mij af of dat de juiste maatstaf is. Naar mijn mening gaat het er om of de ouder
family lifeheeft met het kind, wat beoordeeld moet worden aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval.
degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt’, aangemerkt als belanghebbende. Uit de toelichting blijkt, zoals gezegd, dat hiermee beoogd is de positie van pleegouders te versterken. Nu niet is in te zien waarom de positie van een pleegouder sterker zou moeten zijn dan de positie van een ouder zonder gezag die de minderjarige ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, ligt het zeer in de rede om in ieder geval ook díe ouder als belanghebbende aan te merken. Er is dan ook geen goede reden om de niet met gezag beklede ouder per definitie, in zijn algemeenheid, niet als belanghebbende aan te merken.
de vervolgvraag of het antwoord op die prejudiciële vraag in combinatie met die wetswijziging, nu tot gevolg had dat de nieuwe partner die een gezin vormt met de ouder die met het gezag is belast, in een zaak over ondertoezichtstelling belanghebbende kan zijn, en de juridische ouder zonder gezag niet’. [110] Het antwoord op deze vraag zou, zo volgt uit wat ik hiervoor heb opgemerkt, ontkennend moeten zijn. Dat standpunt is ook ingenomen door Van Teeffelen, die schrijft dat een ouder zonder gezag maar met
family life, met een beroep op analoge toepassing van het gewijzigde art. 798 lid 1 Rv Pro een vergelijkbare positie als die van de pleegouder geboden moet worden en dus als belanghebbende moet worden aangemerkt. [111] Dit is ook in de feitenrechtspraak wel aangenomen. [112]
3.De cassatieklachten
subonderdeel Auitsluitend betrekking hebben op de vraag of het hof de vader
in de zaak ten aanzien van [kind 1]als belanghebbende had moeten aanmerken. Daarbij dient als uitgangspunt dat het hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld dat de vader niet de juridische vader (art. 1:199 BW Pro) is van [kind 1] . [120] Het subonderdeel betoogt vervolgens dat het hof de vader als belanghebbende had moeten aanmerken op grond van art. 798 lid Pro 1,
tweede volzin, Rv, nu hij
nietde (juridische) ouder is van [kind 1] én hij [kind 1] ten minste één jaar heeft verzorgd en opgevoed.
gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt.” De termen “verzorgt” en “opvoedt” zijn niet nader toegelicht. Het ligt voor de hand om hier aansluiting te zoeken bij het bepaalde in art. 1:247 lid 2 BW Pro, dat ingevolge art. 1:248 BW Pro van overeenkomstige toepassing is op degene die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het gezag over die minderjarige toekomt. In art. 1:247 lid 2 BW Pro is nader omschreven wat onder ‘verzorging’ en ‘opvoeding’ moet worden verstaan (zie ook onder 2.35). Verder is op te merken dat de voorwaarde dat de niet-ouder de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, zowel in de wettekst als in de toelichting op het amendement, in de tegenwoordige tijd is geformuleerd. Zo vermeldt de toelichting op het amendement (mijn onderstrepingen): [124]
in het verledengedurende ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed, maar dat
thans(dat is: ten tijde van de procedure) niet meer doet. Uit de overweging van het hof in rov. 9, dat de pleegouders nadrukkelijk in de wet de positie van belanghebbende hebben verkregen, “
onder voorwaarde dat zij ten minste een jaar de minderjarigen als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden”, is af te leiden dat het hof ook van deze uitleg uitgaat.
als behorende tot zijn gezin”verzorgt en opvoedt. De verzorging en opvoeding van de minderjarige dient dus in
gezinsverbandplaats te vinden. De stelling in het verzoekschrift tot cassatie (onder 1.9) dat art. 798 lid Pro 1, tweede volzin, Rv niet de eis stelt dat het opvoeden en verzorgen van het kind als behorende tot het gezin moet hebben plaatsgevonden, lijkt mij dan ook niet juist.
tweede volzin, Rv dat de vader [kind 1] gedurende ten minste een jaar
als behorende tot zijn gezinverzorgt en opvoedt. ’s Hofs (impliciete) oordeel dat de vader in de procedure ten aanzien van [kind 1] niet op grond van art. 798 lid Pro 1,
tweede volzin, Rv kan worden aangemerkt als belanghebbende, geeft dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Dat de vader [kind 1] in de periode vanaf zijn geboorte tot in 2015 mogelijk wel gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin heeft verzorgd en opgevoed is, zoals gezegd, niet voldoende om hem op grond van art. 798 lid Pro 1,
tweede volzin, Rv als belanghebbende aan te merken. [127]
subonderdeel A.
eerste volzin, Rv komt hierna bij de bespreking van
subonderdeel Baan de orde.
stiefvaderaangemerkt als belanghebbende in een uitspraak van het gerechtshof Den Haag: [128]
Het hof is van oordeel dat de stiefvader, die de minderjarige sinds diens geboorte als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, belanghebbende is in deze en heeft hem als zodanig aangemerkt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat artikel 798 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dat sedert 1 januari 2015 geldt, onmiddellijke werking heeft. De moeder heeft dan ook geen belang meer bij haar verzoek te dien aanzien.”
de biologische vader zonder juridisch ouderschapals belanghebbende is aangemerkt. [129] In andere uitspraken is daarentegen nadrukkelijk overwogen dat de tweede volzin uitsluitend ziet op pleegouders, zodat daar geen andere niet-ouders onder kunnen vallen. Zie bijvoorbeeld een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch: [130]
3.8. Het hof dient ambtshalve de vraag te beantwoorden of de vader is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 806, eerste lid, jo 798, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en daarmee in hoger beroep kan komen van de bestreden beschikking.
In de onderhavige zaak oordeelde het hof dat, gelet op het feit dat ook al is de voogd nauw betrokken bij de opvoeding van het kind, het feitelijk wordt verzorgd en opgevoed door de moeder (en de vader). Om die reden en met het oog op art. 8 EVRM Pro acht het hof de moeder ontvankelijk in het hoger beroep.Dit oordeel sluit aan bij de sedert 1 januari 2015 van kracht zijnde toevoeging aan art. 798 lid 1 Rv Pro dat ook een pleegouder door wie het kind (ten minste een jaar) wordt verzorgd als belanghebbende wordt aangemerkt, ook al is deze pleegouder niet belast met het gezag. In de aangevulde bepaling wordt echter gesproken van degene die niet de ouder is en het kind gedurende ten minste een jaar in zijn gezin verzorgt en opvoedt. De appelrechter moet daarom, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, verwijzen naar art. 8 EVRM Pro om de ouder zonder gezag in een situatie als de onderhavige ontvankelijk te kunnen verklaren en lijkt daarmee dus blijkens de onderhavige uitspraak goed uit de voeten te kunnen.Inmiddels is overigens door de expertgroep jeugdrechters aan het ministerie van Veiligheid en Justitie gevraagd het belanghebbende begrip wettelijk beter te verankeren.”
tekstvan art. 798 lid Pro 1, tweede volzin, Rv, daaronder ook anderen kunnen vallen dan de pleegouder, zoals de stiefouder of een biologische ouder zonder juridisch ouderschap in de zin van art. 1:198 of Pro 1:199 BW. [133] Ook zij zijn immers aan te merken als ‘degene die niet de ouder is’. [134]
alle ouders, mits zij
family lifemet het kind hebben (zie onder 2.46).
gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt”. Deze omschrijving komt ook voor in andere bepalingen die bedoeld zijn ter versterking van de rechtspositie van pleegouders, zoals art. 1:253s lid 1 BW (blokkaderecht pleegouders), art. 1:265d lid 2 BW (verzoek tot beëindiging uithuisplaatsing), 1:265i lid 1 BW (wijziging pleeggezinsplaatsing na een jaar), art. 1:299a BW (voogdijverzoek pleegouders) en art. 1:336a BW(blokkaderecht pleegouders). Zoals besproken is, is in het BW niet gedefinieerd wat een pleegouder is (zie onder 2.31-2.32).
niet is bedoeldvoor andere niet-ouders. Met andere woorden, uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat uitsluitend pleegouders als niet-ouder in de zin van de tweede volzin kunnen worden aangemerkt. Tegen die achtergrond kan niet worden gezegd dat een uitleg van de tweede volzin in lijn met de tekst daarvan, zou indruisen tegen ‘de bedoeling van de wetgever’.
family lifeheeft met de minderjarige en door de kinderbeschermingsmaatregel rechtstreeks wordt getroffen in dat
family life, is er geen behoefte meer aan de tweede volzin. Ook pleegouders voldoen daar immers aan. Zowel pleegouders als andere niet-ouders die
family lifehebben met de minderjarige kunnen dan met toepassing van de eerste volzin als belanghebbende worden aangemerkt. Een dergelijke uitleg van de eerste volzin doet recht aan de rechtspraak van het EHRM (zie onder 2.63). [135] In deze benadering is de tweede volzin van art. 798 lid 1 Rv Pro overbodig geworden. Dit sluit aan bij de suggestie van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht om de tweede volzin te schrappen (zie onder 2.18).
family lifemet de minderjarige, overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM (zie onder 2.46-2.53).
eerste volzin, Rv. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat de beslissing in de procedure betreffende de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige(n) niet ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de vader en de minderjarigen. Ook wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vader geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het door het hof gehanteerde uitgangspunt dat een ouder zonder gezag geen belanghebbende is in de procedure ter zake van de gezagsbeëindiging van de andere ouder. Gesteld wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, gelet op hetgeen de vader in de gedingstukken heeft aangevoerd. Daarbij wordt gewezen op het betoog van de vader in het appelrekest dat hij de kinderen een stabiele thuissituatie zou kunnen bieden en het door hem gedane verzoek om een onderzoek te gelasten naar zijn zorgcapaciteiten en de plaatsingsmogelijkheden van de minderjarigen bij hem in het gezin. [136]
eerste volzin, Rv als belanghebbende moet worden aangemerkt en, in dat geval, op grond van art. 806 lid 1 onder Pro b Rv hoger beroep openstaat. Het hof komt op grond van de navolgende overwegingen tot het oordeel dat de vader geen belanghebbende is:
family lifemet het kind. Nu de Nederlandse wet de vader – als biologische ouder – de mogelijkheid biedt om (mede) het gezag over de minderjarigen te verkrijgen, is het niet aanmerken van de vader in deze procedure als belanghebbende niet strijdig met verdragsbepalingen, zoals het EVRM (rov. 11).
family lifeheeft met de minderjarigen als bedoeld in art. 8 EVRM Pro, maar dat de uitoefening van dát
family lifedoor de beëindiging van het gezag van de moeder niet wordt geraakt (rov. 11). Hierbij heeft het hof mede van belang geacht dat de vader – ook na de (eventuele) gezagsbeëindiging van de moeder – de rechter kan verzoeken om met hem met het gezag over de minderjarigen te belasten. [138] Langs deze weg zou de vader zijn
family lifemet de kinderen, dat thans bestaat uit een omgangsregeling, [139] verder kunnen uitbreiden.
In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter niet dan nadat een ouder op diens verzoek in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet.”
Het voorgestelde nieuwe artikel 810a Rv beoogt tegemoet te komen aan de wens van de Tweede Kamer, zoals onder meer blijkende uit de aangenomen motie op stuk nr. 9 in het kader van de behandeling van de wetsvoorstellen nrs. 21 818 en 21 980, om te voorzien in een mogelijkheid datbelanghebbenden in kinderzakenin geval van bezwaren tegen in een raadsrapport vervatte conclusies, een tegenverzoek laten verrichten. De beperking dat het rapport tot de beslissing van de zaak kan leiden houdt in dat het rapport wel een vraag moet betreffen die relevant is voor het oordeel van de rechter in de desbetreffende zaak. Een soortgelijke formulering, zij het in de context van een getuigenverhoor, treft men in het bewijsrecht reeds aan in artikel 192, eerste lid, Rv. Bij de beperking dat het belang van het kind zich niet tegen de aanhouding mag verzetten, kan gedacht worden aan spoedeisende zaken of aan het geval dat voor de totstandkoming van het rapport de medewerking van het kind noodzakelijk is en het onwenselijk is het kind (wederom) aan een onderzoek te onderwerpen.
1. In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd zaken als bedoeld in het tweede lid alsmede die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter pas nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
In dit amendement wordt het recht op contra-expertise in zaken waarin een maatregel van kinderbescherming wordt getroffen geregeld. Hiermee wordt voor de verweerder recht gedaan aan het beginsel van equality of arms.”
als belanghebbendewordt aangemerkt. Dit sluit aan bij de ‘vooropstelling’ van de Hoge Raad over de strekking van de bepaling (die niet los kan worden gezien van lid 1 van art. 810a Rv): [148]
3.3.2 (…) Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993/94, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993/94, p. 4135-4161).”
equality of arms,geen rol. De ouder heeft dan immers geen zelfstandige eigen positie in de procedure, waardoor ook geen sprake is van ‘het weerspreken van een standpunt’. De ouder kan dan slechts de positie van informant hebben (zie onder 2.26-2.28). Het ligt niet in de rede om een ouder die niet als belanghebbende kwalificeert en die dus geen van de rechten heeft die toekomen aan een belanghebbende (zie onder punt 2.7), het veel verdergaande recht op contra-expertise toe te kennen.
moedermoet worden beëindigd. Daarvoor is bepalend of de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd, en
de moederniet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW Pro, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn (art. 1:266 lid 1 onder Pro b BW). Het verzoek van de vader ziet veeleer op de (uitvoering van) de
uithuisplaatsingvan de minderjarigen. Daarbij gaat het hem erom of zij in het huidige pleeggezin moeten blijven of dat zij in het nieuwe gezin van de vader moeten worden geplaatst. Het hof overweegt dan ook terecht dat het verzoek van de vader in feite los staat van een beëindiging van het gezag van de moeder (rov. 12). Het hof heeft bij zijn oordeel bovendien laten meewegen dat de vader niet meer in gezinsverband met de moeder samenleeft. Zou dit wel het geval zijn, dan zouden de opvoedcapaciteiten van de vader en de wenselijkheid van een thuisplaatsing in dát gezin mogelijk wel relevant kunnen zijn voor de beslissing of het gezag van de moeder al dan niet beëindigd moet worden.
subonderdeel B.