ECLI:NL:PHR:2010:BL9105
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing schadevergoedingsmaatregel bij overlijden benadeelde partij in strafproces
In deze zaak stond centraal of een vordering tot immateriële schadevergoeding van een benadeelde partij die na toewijzing in eerste aanleg was overleden, in hoger beroep nog kon worden toegewezen. De Hoge Raad oordeelde dat de vordering van rechtswege voortduurde in hoger beroep en dat het recht op immateriële schadevergoeding volgens art. 6:106, tweede lid, BW vatbaar is voor overgang op erfgenamen wanneer de vordering in rechte is ingesteld.
Daarnaast werd de vraag behandeld of de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr ten laste van de verdachte kon worden opgelegd ten behoeve van de inmiddels overleden benadeelde partij. De Hoge Raad bevestigde dat deze maatregel ook kan worden opgelegd ten behoeve van de erfgenamen, mits de verdachte jegens het slachtoffer burgerlijk aansprakelijk is.
De Hoge Raad verwierp het middel dat klaagde over het ontbreken van nader onderzoek naar het overlijden van de benadeelde partij, omdat het hof terecht oordeelde dat de verdediging dit niet met schriftelijke stukken kon staven en dat het overlijden niet uit het onderzoek bleek. Het feit dat het slachtoffer later bleek te zijn overleden, deed hieraan niet af.
De Hoge Raad benadrukte dat de erfgenamen zich niet automatisch als benadeelde partij in het strafproces voegen, maar dat zij civielrechtelijk de vordering kunnen voortzetten. De schadevergoedingsmaatregel kan als stok achter de deur dienen en wordt door het Openbaar Ministerie geïnd en aan de erfgenamen uitgekeerd.
De conclusie van de A-G was dat het beroep ongegrond is en de beslissing van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De vordering tot immateriële schadevergoeding van de overleden benadeelde partij wordt toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd ten behoeve van diens erfgenamen.