ECLI:NL:PHR:2010:BL9114
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van bewijs voor valsheid in geschrift bij antedatering optieovereenkomst
Verzoeker, voormalig technisch directeur bij een onderneming, werd ten laste gelegd dat hij samen met anderen een optieovereenkomst valselijk had opgemaakt door de datum te antedateren naar 8 oktober 1998, terwijl de werkelijke totstandkoming later was. Het hof sprak verzoeker vrij omdat niet kon worden uitgesloten dat het in januari 1999 opgestelde stuk een vervanging was van een eerder opgestelde overeenkomst zonder wijziging van de strekking.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de vrijspraak niet onbegrijpelijk was. De selectie en waardering van het bewijsmateriaal is aan de feitenrechter voorbehouden, ook bij vrijspraak. De klacht over onvoldoende motivering faalde omdat het hof de vrijspraak voldoende had toegelicht.
De Hoge Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn, maar vond dat de vaststelling van vrijspraak voldoende compensatie bood. Het cassatieberoep werd verworpen en de vrijspraak bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van opzet en misleiding bij antedatering van de optieovereenkomst.