ECLI:NL:PHR:2010:BM0787
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van witwassen ondanks vermoeden van criminele herkomst geld
In deze zaak stond verdachte terecht voor diverse varianten van heling en witwassen van grote contante geldbedragen in de periode maart 2001 tot en met april 2002. Het hof onderzocht of wettig en overtuigend bewezen kon worden dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Hoewel de rechtbank oordeelde dat het geld een criminele herkomst had, kon het hof dit oordeel niet delen vanwege het ontbreken van direct bewijs en het bestaan van een plausibele legale herkomst.
De verdachte verklaarde dat het geld afkomstig was uit de verkoop van belangen in cambio's, wisselkantoren in Nederland en Suriname, en ondersteunde dit met verklaringen van medeverdachten en getuigen, evenals een afgetapt telefoongesprek. Het hof stelde vast dat het openbaar ministerie onvoldoende onderzoek had verricht naar deze alternatieve herkomst, waardoor niet met voldoende zekerheid kon worden uitgesloten dat het geld legaal was verkregen.
Het hof benadrukte dat het aan het openbaar ministerie is om bewijs te leveren dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is, en dat een vermoeden van witwassen niet automatisch leidt tot een veroordeling. De verdachte hoefde zijn onschuld niet te bewijzen. Gezien de omstandigheden sprak het hof verdachte vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van het openbaar ministerie. De uitspraak benadrukt de bewijslastverdeling in witwaszaken en de noodzaak van voldoende bewijs om een veroordeling te rechtvaardigen.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was.