Conclusie
“Het oordeel van het Hof dat de geldbedragen die verdachte en zijn mededaders in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener zonder vergunning hebben verworven en/of voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen “daarmee” van misdrijf afkomstig zijn, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vermogensbestanddelen kunnen immers in beginsel slechts worden aangemerkt als “afkomstig (…) uit enig misdrijf” in de zin van de art. 420bis en 420quater Sr indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdragen daarvan, terwijl de bewezenverklaring kennelijk niet ziet op de mogelijke opbrengst of verdiensten van het zonder vergunning in het kader van het bedrijf van betaaldienstverlener handelen met betrekking tot gelden.” Hieruit blijkt dat het enkele feit dat sprake is van Hawala-bankieren niet per definitie met zich meebrengt dat het betreffende geldbedrag dus van misdrijf afkomstig is. Er dienen bijkomende feiten en omstandigheden te zijn die duiden op de aanwezigheid van crimineel geld. De vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen het vermoeden van witwassen rechtvaardiging en gelet daarop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. In dit kader overwoog de Hoge Raad:
“Het hof heeft voorts geoordeeld dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geldbedrag. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande is het oordeel van het hof dat “het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag – middellijk of onmiddellijk – van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist” niet onbegrijpelijk.”
15.Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.
tweede middelklaagt over schending van art. 6 EVRM Pro, doordat het hof in de bewijsoverweging heeft betrokken dat van verdachte verlangd kan worden dat hij meer informatie verstrekt over de toedracht van de geldoverdracht, de herkomst van het geldbedrag en de afdracht aan de beoogde ontvanger, terwijl hij zichzelf hiermee zou blootstellen aan strafrechtelijke vervolging.