Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het onder 1 bewezen verklaarde onvoldoende met redenen heeft omkleed doordat het hof redengevend voor het bewijs heeft geacht de omstandigheid dat de Amsterdamsevaart als A200 doorloopt naar de rotonde met de A9, terwijl het hof niet heeft opgenomen aan welk bewijsmiddel deze vaststelling is ontleend en het geen feit van algemene bekendheid betreft.
- een pistool hebben gericht op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en
- vervolgens onder dreiging van een pistool tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] hebben gezegd dat zij in de kluisruimte of hun kantoor op de grond moesten gaan liggen en
- tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] hebben gezegd dat zij (nog) een kluis moesten openen”.
tweede middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van het onder 7 ten laste gelegde.
4.4.4. Het oordeel over het onder 7 ten laste gelegde
enigmisdrijf. Niet vereist is dat de rechter identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Vaak zal dit niet mogelijk zijn, terwijl het ook niet relevant is voor de strafwaardigheid van het witwassen. Gaat het bijvoorbeeld om handelingen van verdachte Y ten aanzien van een bankrekening waarop hij en zijn compaan opbrengsten van hun verschillende criminele activiteiten (mensenhandel, afpersing, drugshandel) plachten te storten, maar is niet duidelijk uit welke van die activiteiten de betrokken gelden afkomstig waren (wellicht uit allemaal), dan kan niettemin bewezen worden geacht dat die gelden uit enig misdrijf afkomstig waren.” [5]
derde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.