ECLI:NL:PHR:2010:BM2562
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt ontnemingsmaatregel wegens schending onschuldpresumptie
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof een betalingsverplichting oplegde aan betrokkene op grond van art. 36e lid 3 Sr. Betrokkene was onherroepelijk vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie, maar het hof baseerde de schatting van het voordeel mede op diens vermeende rol binnen die organisatie.
De verdediging voerde aan dat dit in strijd was met de onschuldpresumptie zoals neergelegd in art. 6 lid 2 EVRM Pro en de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name de zaak Geerlings vs Nederland. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de ontnemingsvordering was gebaseerd op art. 36e lid 3 Sr, waarbij geen directe relatie tussen bewezen feiten en voordeel vereist is.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof ten onrechte feiten als grondslag gebruikte waarvoor betrokkene onherroepelijk was vrijgesproken, hetgeen niet verenigbaar is met de onschuldpresumptie. Hoewel de methode van vermogensvergelijking abstract is en geen direct verband legt met concrete strafbare feiten, had het hof niet mogen terugvallen op de vrijgesproken deelname aan de criminele organisatie.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en zal een passende beslissing worden genomen. De klacht over overschrijding van de redelijke termijn wordt niet behandeld vanwege de vernietiging van het arrest.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van de onschuldpresumptie bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.