ECLI:NL:PHR:2011:BQ8627
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vermogensvergelijking bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel ondanks vrijspraak witwassen
In deze zaak staat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij de betrokkene werd verplicht tot betaling van ruim €2,8 miljoen aan de Staat. De betrokkene stelde dat het hof ten onrechte geen rekening hield met legale inkomsten uit de verkoop van een bloemenhandel en dat het hof onterecht vermogensbestanddelen betrok die verband hielden met feiten waarvan hij was vrijgesproken.
De Hoge Raad oordeelt dat het gebruik van de vermogensvergelijking als methode voor het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel is toegestaan, mits deze beredeneerd is en gebaseerd op wettige bewijsmiddelen. De betrokkene heeft voldoende gelegenheid gehad om aannemelijk te maken dat hij legale inkomsten had, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. Daarom is het oordeel van het hof dat deze inkomsten niet aannemelijk zijn, begrijpelijk.
Ten aanzien van de vrijspraak van witwassen stelt de Hoge Raad dat de abstracte methode van vermogensvergelijking niet leidt tot een feitelijke veroordeling voor vrijgesproken feiten. De vrijspraak sluit niet uit dat de waarde van de betreffende goederen wordt betrokken bij de vermogensopstelling, zolang niet wordt aangenomen dat deze goederen een legale herkomst hebben. De klachten van de betrokkene worden verworpen en het beroep in cassatie wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de ontnemingsverplichting van ruim €2,8 miljoen blijft gehandhaafd.