ECLI:NL:PHR:2010:BN0019
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens schending recht op het laatste woord
In deze zaak ging het om de vraag of het gerechtshof terecht verdachte niet-ontvankelijk had verklaard in hoger beroep op grond van artikel 416 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Verdachte werd verdacht van het verkrijgen van voordeel uit een hennepplantage. Tijdens de procedure waren meerdere zittingen gepland, waarbij verdachte en zijn raadsman niet altijd aanwezig waren. Het hof had het recht van verdachte om het laatste woord te voeren niet expliciet gelaten, hetgeen volgens de advocaat-generaal en de raadsman een schending van artikel 311, vierde lid, Sv inhoudt.
De Hoge Raad overwoog dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat verdachte het recht is gelaten het laatste woord te voeren, waardoor het hof artikel 311, vierde lid, Sv heeft geschonden. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof niet zonder onderzoek de niet-ontvankelijkverklaring had mogen uitspreken, zoals bedoeld in artikel 416, tweede lid, Sv. Het proces-verbaal van de zitting van 1 april 2009 toont aan dat er wel degelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, onder meer door het horen van de advocaat en het voorlezen van stukken.
De Hoge Raad verklaarde het middel van cassatie gegrond en vernietigde het arrest van het hof. De zaak werd terugverwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor een nieuwe berechting waarbij verdachte het recht op het laatste woord moet worden gelaten. Hiermee wordt het fundamentele recht op hoor en wederhoor en het recht op een eerlijk proces gewaarborgd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting waarbij verdachte het recht op het laatste woord wordt gelaten.