Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2005:AS7542

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01727/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 283 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens schending art. 283 lid 6 Sv

De verdachte werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter, waarbij hij was vrijgesproken van een primair ten laste gelegde feit en veroordeeld tot een geldboete en voorwaardelijke hechtenis voor mishandeling van een ambtenaar.

Het hof baseerde zijn oordeel op een aantekening in het mondeling vonnis dat de verdachte afstand had gedaan van het recht op hoger beroep. De raadsman van de verdachte stelde echter dat de verdachte geen afstand had gedaan. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep werd de verdachte niet in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt toe te lichten.

De Hoge Raad oordeelde dat dit in strijd is met artikel 283, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat in dit soort gevallen van overeenkomstige toepassing is. Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek en het arrest.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor een nieuwe beoordeling van de ontvankelijkheid en zo nodig inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van art. 283 lid 6 Sv en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

5 april 2005
Strafkamer
nr. 01727/04
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 mei 2004, nummer 22/005265-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren op Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 14 november 2003, waarbij de verdachte vrijgesproken is van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hij voorts ter zake van "mishandeling terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening" is veroordeeld tot een geldboete van € 150,-, subsidiair drie dagen hechtenis, waarvan € 75,-, subsidiair één dag hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat wederom zal worden beslist omtrent de ontvankelijkheid van de verdachte in zijn hoger beroep en, zo nodig, de zaak op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep nu het Hof de verdachte niet in de gelegenheid heeft gesteld omtrent die ontvankelijkheid het woord te voeren en/of als laatste het woord te voeren.
3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte aldaar is verschenen en houdt verder, voorzover hier van belang, het volgende in:
"De voorzitter deelt mede dat op de aantekening van het mondeling vonnis van 14 november 2003 staat vermeld, dat de verdachte evenals de officier van justitie afstand heeft gedaan van zijn bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden. De advocaat-generaal verzoekt het hof de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep te verklaren.
De raadsman van de verdachte deelt mede dat de verdachte zijns inziens wel ontvankelijk is in zijn hoger beroep nu de verdachte stelt geen afstand te hebben gedaan.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraadslaging.
Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep.
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het hof - na kort onderling beraad - terstond uitspraak."
3.2.2. In het bestreden arrest heeft het Hof overwogen:
"Blijkens de aantekening van het mondeling vonnis van 14 november 2003 heeft de verdachte afstand gedaan van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden. Feiten of omstandigheden, die het hof aanleiding zouden moeten geven om te onderzoeken of die afstand rechtsgeldig is geschied, zijn door de raadsman van de verdachte niet gesteld en ook overigens niet aannemelijk geworden."
3.3. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt
(i) dat het Hof de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de verdachte aan de orde heeft gesteld in verband met de vermelding, gesteld op de aantekening van het mondeling vonnis, dat de verdachte afstand heeft gedaan van dat rechtsmiddel,
(ii) dat de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep, en
(iii) dat de raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte zich op het standpunt stelt dat hij geen afstand heeft gedaan.
Het proces-verbaal houdt niet in dat de ter terechtzitting aanwezige verdachte op enig moment voor de sluiting van het onderzoek in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt toe te lichten, zodat moet worden aangenomen dat dit niet is geschied. Zulks is in strijd met art. 283, zesde lid, Sv, welke bepaling in een geval als het onderhavige - waarbij de vraag aan de orde is of de rechter in hoger beroep kan toekomen aan een beoordeling van de zaak zelf - van overeenkomstige toepassing is. Dat verzuim brengt nietigheid van het onderzoek en van het naar aanleiding daarvan gewezen arrest mee.
3.4. Het middel is terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 april 2005.