ECLI:NL:HR:2008:BC3773
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens niet-toekennen laatste woord en overschrijding redelijke termijn
In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte veroordeeld wegens overtreding van artikel 21 van Pro het RVV 1990, met oplegging van een geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid. Verdachte stelde cassatie in tegen dit arrest.
De Hoge Raad constateerde dat tijdens de terechtzitting in hoger beroep niet is voldaan aan het vereiste van artikel 311, vierde lid, Sv, dat verdachte het laatste woord moet worden gegund. Dit is een fundamenteel procesrechtelijk voorschrift waarvan niet-naleving leidt tot nietigheid van het arrest.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden. De Hoge Raad oordeelde dat dit meegewogen moet worden bij de strafoplegging bij hernieuwde berechting.
Op grond van deze procesfouten vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling en beslissing op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting waarbij het laatste woord aan verdachte wordt gegund en de termijnoverschrijding wordt meegewogen.