ECLI:NL:HR:2010:BK8926
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid hoger beroep en recht op laatste woord in strafzaak
In deze strafzaak stond de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. Verdachte was op de hoogte van de zittingsdag in eerste aanleg, maar stelde dat hij wegens geldgebrek niet aanwezig kon zijn. Het hof verklaarde verdachte niet-ontvankelijk omdat het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na uitspraak was ingesteld.
De verdediging klaagde dat het hof had verzuimd verdachte het laatste woord te geven. Uit het proces-verbaal bleek echter dat verdachte, aanwezig bij de terechtzitting in hoger beroep, voor sluiting van het onderzoek de gelegenheid had gekregen zijn standpunt toe te lichten.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof conform artikel 283, zesde lid, Wetboek van Strafvordering had gehandeld en dat deze bepaling ook van toepassing is in hoger beroep wanneer de rechter tot inhoudelijke beoordeling kan overgaan. Het beroep van verdachte werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: Verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens overschrijding van de termijn en het hof heeft het recht op het laatste woord correct toegepast.