ECLI:NL:PHR:2010:BN9368
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderalimentatie bij korte samenwoning en afweging gezinsinkomen
In deze zaak staat de vaststelling van kinderalimentatie centraal, waarbij het kind en de ouders slechts kortstondig of niet duurzaam in gezinsverband hebben samengewoond. De moeder vorderde een bijdrage van €730 per maand, gebaseerd op een gezamenlijk gezinsinkomen vlak voor het uiteengaan. De vader voerde in hoger beroep aan dat de alimentatie berekend moet worden op het gemiddelde van de afzonderlijke netto-inkomens, gezien het ontbreken van een duurzame gezinsband.
Het hof stelde de alimentatie vast op €345 per maand en oordeelde dat het ontbreken van een duurzame gezamenlijke huishouding betekent dat het gezamenlijke gezinsinkomen niet als maatstaf kan dienen. De moeder stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad bevestigde dat voor de vaststelling van de behoefte aan kinderalimentatie het welstandsniveau van het gezin vóór het uiteengaan van belang is, maar dat bij afwezigheid van een duurzame gezinsband aansluiting bij een fictief gezamenlijk gezinsinkomen niet gerechtvaardigd is.
De Hoge Raad benadrukte dat het begrip 'samenleven in gezinsverband' een zekere mate van duurzaamheid vereist en dat een korte samenwoning, zoals in deze zaak, onvoldoende is om van een gezamenlijke huishouding te spreken. Tevens werd overwogen dat de moeder, die een hoger alimentatiebedrag ontving, het verschil moet terugbetalen aan de vader, aangezien het hof de alimentatie met terugwerkende kracht heeft verlaagd. De cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat bij korte samenwoning kinderalimentatie wordt berekend op basis van het gemiddelde van de afzonderlijke inkomens.