Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primairde verdeling bij helfte vast te stellen van de door hem genoemde schulden en
subsidiairhet echtscheidingsconvenant te vernietigen en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap opnieuw vast te stellen.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
Ingangsdatum
de vrouw niet heeft gesteld dat zij niet in staat is tot terugbetaling van hetgeen de man (mogelijk) teveel heeft bijgedragen. Geklaagd wordt dat het hof met deze overweging heeft miskend dat de behoedzaamheid die de rechter volgens vaste jurisprudentie in acht moet nemen bij de wijziging van een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht – en die meebrengt dat de rechter moet beoordelen of in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd en, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van dat oordeel rekenschap moet geven in zijn motivering – óók geldt indien de onderhoudsgerechtigde geen expliciet beroep heeft gedaan op terugbetalingsproblemen, althans geen expliciet verweer heeft gevoerd tegen het verlenen van terugwerkende kracht, maar uit de stellingen van partijen kan worden opgemaakt dat een eerdere ingangsdatum ingrijpende gevolgen zal (kunnen) hebben voor de onderhoudsgerechtigde. Betoogd wordt dat ter zitting voldoende grondslag voor het betrachten van die behoedzaamheid was gegeven, nu uit de stellingen van de vrouw genoegzaam volgt dat zij zich geen terugbetaling kan veroorloven.
subonderdeel I.2getuigen ook de onder (a) en (c) gebezigde argumenten van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de vaste jurisprudentie van Uw Raad omtrent het betrachten van behoedzaamheid bij het verlenen van terugwerkende kracht aan gewijzigde alimentatiebedragen. Daartoe klaagt
subonderdeel I.2.1dat het hof met argument (a) – dat
de man de alimentatie heeft voldaan met behulp van zijn ouders –heeft miskend dat de zojuist genoemde vaste jurisprudentie geen afweging van de betrokken belangen voorschrijft, maar uitsluitend gebiedt te onderzoeken of in redelijkheid terugbetaling kan worden verlangd van de onderhoudsgerechtigde. Voorts betoogt
subonderdeel I.2.2dat argument (c) – dat
het in feite gaat om een eerste vaststelling– geen steun vindt in de meergenoemde vaste jurisprudentie van Uw Raad, nu die jurisprudentie ook en zelfs
juistbedoeld is voor een ‘eerste’ rechterlijke vaststelling zoals in casu aan de orde, nu in zo’n geval van de onderhoudsgerechtigde niet kan worden verlangd dat hij rekening houdt met een anders uitvallende beslissing.
verplichtis zelfstandig op basis van die factoren te beoordelen of terugbetaling in redelijkheid kan worden verlangd. Daarbij dienen tot uitgangspunt, enerzijds, de regel dat de rechter
gehoudenis tot een gemotiveerd oordeel omtrent de redelijkheid van terugbetaling
“naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd”(zie hiervoor onder 2.6) en, anderzijds, de regel dat het hem
vrijstaat tot een dergelijke beoordeling over te gaan indien
“de stellingen van partijen”daartoe aanleiding geven (zie hiervoor onder 2.7).
“naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd”is het wellicht zinvol te rade te gaan bij de formulering van hetgeen de behoedzaamheid meebrengt zoals deze wordt aangetroffen in de reeks van uitspraken die voorafging aan de huidige reeks (die werd ingezet met de uitspraak van 21 december 2007 [9] ). Deze aanvankelijke formulering luidde (met mijn cursivering):
in het bijzonderom een toereikende motivering als, zoals in het onderhavige geval,
verweeris gevoerd dat erop neerkomt dat een aanzienlijk bedrag moet worden terugbetaald en de onderhoudsgerechtigde daartoe niet in staat is.” [10]
hetgeen ten processe is geblekenomtrent de mogelijke gevolgen voor de onderhoudsgerechtigde van het met terugwerkende kracht laten ingaan van een vermindering van een bijdrage in levensonderhoud, óf en in welke mate de rechter met die gevolgen rekening moet houden en welke motiveringseisen moeten worden gesteld aan zijn beslissing om terugwerkende kracht aan de vermindering van de onderhoudsbijdrage te verlenen. Het enkele ontbreken van verweer ontslaat de rechter derhalve niet van een oordeel omtrent de redelijkheid van een terugbetalingsverplichting. [15]
NJ2011/514, waarin door de alimentatiegerechtigde vrouw niet de consequenties van een vernietiging van de door de rechtbank gegeven wijzigingsbeschikking en afwijzing alsnog van de door haar verzochte (en verkregen) verhoging van de kinderalimentatie aan de orde waren gesteld. In het bijzonder had zij niet gesteld dat van haar in redelijkheid geen terugbetaling kon worden verlangd van hetgeen haar (mogelijk) reeds uit hoofde van de eerdere beschikking was betaald. Toch oordeelde Uw Raad aan de hand van uit de gedingstukken af te leiden feiten dat zonder nadere motivering niet viel in te zien dat de door het hof ingestelde ingangsdatum geen ingrijpende gevolgen had voor de vrouw, en vernietigde de beschikking van het hof.
de vrouw niet heeft gesteld dat zij niet tot terugbetaling in staat is, heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn kennelijk oordeel dat ten processe niet is gebleken van omstandigheden die een eventuele terugbetalingsverplichting ingrijpende gevolgen kunnen doen hebben, ontoereikend gemotiveerd. In zoverre worden de subonderdelen I.1 en I.3 terecht voorgesteld.
de man de overeengekomen kinderalimentatie heeft voldaan met behulp van zijn oudersheeft het hof kennelijk gewicht toegekend aan het belang van de man om het teveel betaalde terug te krijgen. Zoals mijn ambtgenoot Keus heeft opgemerkt, draagt de hiervoor onder 2.6 genoemde rechtspraak een zekere asymmetrie in zich: daarin wordt wel uitdrukkelijk rekening gehouden met de problemen van de onderhoudsgerechtigde als gevolg van een eventuele verplichting tot terugbetaling van hetgeen teveel werd ontvangen maar reeds in overeenstemming met zijn behoefte werd uitgegeven, maar niet met de problemen die de onderhoudsplichtige bij een ontzegging van zijn aanspraak op terugbetaling van teveel betaalde alimentatie ondervindt doordat hij alimentatiegelden die hij, zonder over een daartoe toereikende draagkracht te beschikken, niettemin (en mogelijk tegen belangrijke offers en hoge kosten) heeft opgebracht, blijvend zal moeten missen. [21] Een dergelijke asymmetrie ligt ook besloten in de beslissing dat de regels omtrent de door de rechter in acht te nemen behoedzaamheid en de in verband daarmee op hem rustende motiveringsplicht niet gelden voor het geval een verhoging van de alimentatie met terugwerkende kracht de alimentatieplichtige tot een nabetaling zou dwingen. [22] Tegen deze achtergrond wordt wel geconcludeerd dat de financiële situatie van de alimentatiegerechtigde kennelijk van een andere orde is dan die van de alimentatieplichtige bij terugbetaling van alimentatie in gevallen dat er wel behoefte was aan een bijdrage maar de draagkracht (later) bleek te ontbreken. [23]
het in feite om een eerste vaststelling gaatheeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat de vrouw van meet af aan – vanaf het opnemen van het ouderschapsplan in de echtscheidingsbeschikking – er rekening mee heeft kunnen houden dat in hoger beroep van die beschikking alsnog zou kunnen worden vastgesteld dat de overeengekomen kinderalimentatie niet aan de wettelijke maatstaven bleek te voldoen. De factor ‘rekening kunnen houden met’ is een factor die behoort tot het domein van de alimentatiegerechtigde en als zodanig kan meewegen (en pleegt te worden meegewogen) bij het oordeel omtrent de redelijkheid van een eventuele terugbetalingsverplichting. Een andere vraag is hoe voorzienbaar was dat de alimentatie door het hof zou worden aangepast en welk gewicht aan deze voorzienbaarheid moet worden gehecht. Op die vraag ziet het middel echter niet.