ECLI:NL:HR:2004:AH9156
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- G.J. Zuurmond
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling renteaftrek nadere hypothecaire geldlening voor woningverbetering
Belanghebbende had in 1997 zijn hypothecaire geldlening verhoogd met het oog op verbetering van zijn eigen woning, maar gebruikte het geleende bedrag niet onmiddellijk voor dat doel. In 1999 werd een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar werd verminderd door het hof, dat oordeelde dat de rente van de geldlening aftrekbaar was.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overwoog dat het oogmerk van de lening voor woningverbetering niet verloren gaat door uitstel van besteding, mits het geleende bedrag liquide beschikbaar blijft en niet voor andere doeleinden wordt aangewend zonder een overeenkomstige liquide reserve.
In dit geval was de lening in 1997 verhoogd met het oog op woningverbetering, maar in 1999 was nog geen betaling voor verbetering verricht. De rente over 1999 kon daarom niet worden aangemerkt als rente van een schuld voor woningverwerving. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verklaarde het beroep tegen de aanslag ongegrond.
De uitspraak benadrukt het belang van schriftelijke bescheiden ter staving van betalingen voor woningverbetering en verduidelijkt de voorwaarden waaronder uitgestelde besteding van een geldlening toch kan leiden tot renteaftrek.
De Hoge Raad wees geen proceskosten toe en deed uitspraak in aanwezigheid van vijf raadsheren en een waarnemend griffier op 22 oktober 2004.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart het beroep tegen de aanslag over 1999 ongegrond.