ECLI:NL:PHR:2011:BO2592
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende vaststelling zeggenschap over milieuinrichting
De zaak betreft een economische strafrechtelijke procedure waarin de verdachte, een rechtspersoon, werd veroordeeld voor het opzettelijk overtreden van een voorschrift uit een milieubeheervergunning door het verbranden van afvalstoffen op het terrein van een inrichting. De vergunning was verleend aan een andere rechtspersoon, [A], die op hetzelfde adres gevestigd was, maar uit de bewijsvoering bleek niet duidelijk of verdachte feitelijk zeggenschap had over de inrichting.
Het hof had geoordeeld dat verdachte als drijver van de inrichting moest worden aangemerkt en veroordeelde hem tot een geldboete. In cassatie werd aangevoerd dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de verbodsbepaling van de Wet milieubeheer ook op verdachte van toepassing was, nu de vergunning aan [A] was verleend.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld of verdachte feitelijk de inrichting drijft of zeggenschap heeft over de exploitatie daarvan, hetgeen essentieel is voor de toepassing van de vergunningvoorschriften. Omdat het hof hierover geen relevante feiten of motivering heeft gegeven, is het oordeel onbegrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op basis van de bestaande stukken, waarbij het hof moet vaststellen of verdachte als drijver van de inrichting kan worden aangemerkt en of hij de voorschriften heeft overtreden.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling over de vraag of verdachte als drijver van de inrichting kan worden aangemerkt.