ECLI:NL:HR:2004:AN9919
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Verantwoordelijkheid vergunninghouder voor opslag gevaarlijke stoffen op luchthavenplatform
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen een rechtspersoon die een vergunning had op grond van de Wet milieubeheer voor het exploiteren van een inrichting op luchthaven Schiphol. Op 14 april 2000 werden op het platform D21 explosieve stoffen aangetroffen, wat in strijd was met het vergunningsvoorschrift dat opslag van gevaarlijke stoffen alleen in vrachtverzamelgebouwen toestaat.
Het hof oordeelde dat het platform D21 tot de inrichting behoort waarvoor de vergunninghouder directe zeggenschap en verantwoordelijkheid draagt, ook al betreft het activiteiten van derden. De vergunninghouder had de normadressaat te zijn en had de stoffen moeten verwijderen. Het hof veroordeelde de verdachte tot een voorwaardelijke geldboete.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad stelde dat de uitleg van de vergunning en de reikwijdte van het begrip 'inrichting' aan het hof is voorbehouden en dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de verdachte verantwoordelijk is voor het naleven van de voorschriften op het gehele terrein, inclusief het platform D21.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad het beroep op verschoonbare rechtsdwaling, omdat een beroep op onduidelijke norm niet volstaat om strafrechtelijke aansprakelijkheid uit te sluiten. Het beroep werd derhalve verworpen en de bestreden uitspraak bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte als vergunninghouder verantwoordelijk is voor het naleven van milieuregels op het gehele terrein en verwerpt het beroep.