ECLI:NL:PHR:2011:BO3961
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende motivering schatting
In deze cassatieprocedure staat de ontnemingsmaatregel centraal waarbij het hof aan veroordeelde een bedrag van €17.488,00 oplegde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging stelde onder meer dat het hof onvoldoende had gemotiveerd hoe het tot deze schatting was gekomen en dat sprake was van overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet duidelijk heeft aangegeven aan welke bewijsmiddelen het de schatting van het voordeel heeft ontleend, met name voor enkele zaken (3, 7 en 17). Hierdoor is de schatting onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd, wat leidt tot vernietiging van het arrest. Voor andere zaken acht de Hoge Raad de motivering wel toereikend.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep oordeelt de Hoge Raad dat de overschrijding van bijna vier maanden niet onrechtmatig is gelet op de complexiteit van de zaak en de samenhang met medeveroordeelden. Het verweer wordt verworpen.
Daarnaast wordt vastgesteld dat de inzendtermijn van stukken naar de Hoge Raad is overschreden, hetgeen gevolgen zal hebben voor de nieuwe beoordeling door het hof. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor een nieuwe beslissing op basis van het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling.